Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.6.2
5.6.2 Het perspectief van de wederpartij: vertrouwensgevallen
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS599651:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 mei 1990, NJ 1990/544, r.o. 3.2.
Dit is ook al bijzonder omdat het niet noodzakelijk is dat de daad van bekendheid wordt verricht tegenover de wederpartij of diens raadsman om de verzettermijn te doen starten. Dit is geëxpliciteerd in HR 23 september 2005, NJ 2005/487, maar was daarvoor al heersende leer. Zie de bijbehorende conclusie van A-G Wesseling- Van Gent, par. 2.11.
HR 11 maart 2005, NJ 2005/576.
Zij hadden kantoormeubilair besteld op briefpapier van ‘Idee 2 bedrijfsvoorzieningen’. Dat briefpapier vermeldde niet de rechtsvorm van Idee 2.
HR 11 maart 1977, NJ 1977/521.
HR 11 maart 2005, NJ 2005/576, r.o. 3.4.2.
Het vertrouwen kan ook berusten op eerdere toezending van een bericht aan een (elektronisch) adres van de rechtspersoon.
Zie hierover par. 4.2.4.
Taupitz 1996, p. 735-736.
126. In Los Gauchos, Idee 2 en Ontvanger/Voorsluijs benadrukt de Hoge Raad het belang van de bescherming van het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij. Met de wijze waarop de Hoge Raad dat doet in Los Gauchos en Idee 2 is echter iets merkwaardigs aan de hand. In Los Gauchos moest worden beoordeeld of kennisneming van een kopie van het verstekvonnis door bedrijfsleider Pinxter gold als daad van bekendheid van de vennootschap Los Gauchos. Het antwoord op deze vraag hangt er volgens de Hoge Raad van af of:
“[…] de kennisneming van het vonnis door Pinxter in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een daad van de BV Los Gauchos zelf, in dier voege dat [wederpartij] Weijl op grond van die daad het ervoor mocht houden dat aan de zijde van Los Gauchos een zodanige bekendheid met het vonnis bestond dat deze vennootschap daardoor van dat tijdstip af daadwerkelijk in staat was het nodige te doen om tijdig van dat vonnis in verzet te komen.”1 [onderstreping toegevoegd, BK]
‘In dier voege’ betekent volgens Van Dale ‘zodanig’. De Hoge Raad laat dus – althans weet ik niet hoe bovenstaande passage anders moet worden gelezen – hetgeen de wederpartij mag aannemen volledig afhangen van hetgeen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden. Wat in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden, is een objectieve maatstaf. Die maatstaf abstraheert van wat déze wederpartij in de gegeven omstandigheden mocht verwachten. Bij de in acht te nemen omstandigheden noemt de Hoge Raad in Los Gauchos echter iets wat alleen de bij deze wederpartij gewekte verwachtingen betreft, namelijk het feit dat bedrijfsleider Pinxter aan Weijl te kennen had gegeven dat hij als bedrijfsleider slechts met de dagelijkse leiding van het restaurantbedrijf was belast.2 Er zit dus een zekere spanning in de gelijkstelling van hetgeen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden en hetgeen de wederpartij mocht verwachten.
127. De hiervoor bedoelde spanning komt nog duidelijker naar voren in Idee 2.3 In die zaak was de vraag of de besloten vennootschap P&F een overeenkomst had gesloten met de coöperatie Idee 2 of met de heren Peper en De Hart in privé, die volgens hun eigen stellingen slechts waren opgetreden als vertegenwoordigers van de coöperatie.4 Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf die is gegeven in het arrest Kribbebijter: doorslaggevend is hetgeen P&F enerzijds en de heren Peper en De Hart anderzijds daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.5 De Kribbebijter-maatstaf is een subjectievere maatstaf dan ‘hetgeen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden’, omdat ook omstandigheden in acht moeten worden genomen die alleen déze wederpartij betreffen, zoals zijn eigen kennis en deskundigheid. Bij toepassing van die maatstaf rees de vraag of de wetenschap van de handelsagent van P&F, aan wie Peper en De Hart eerder hadden gezegd dat Idee 2 een coöperatie was, moest worden toegerekend aan P&F. Bij de beantwoording daarvan kwam het er volgens de Hoge Raad op aan of:
“[…] deze wetenschap in het maatschappelijk verkeer als wetenschap van P&F heeft te gelden, waarbij met inachtneming van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of Peper en De Hart het ervoor mochten houden dat P&F daarmee van de rechtsvorm van hun onderneming op de hoogte was.” 6
128. Voor ogen gehouden moet worden dat bij een geval als Idee 2 de uiteindelijk te beantwoorden vraag níet is: ‘Wat heeft in het maatschappelijk verkeer te gelden?’, maar ‘Waar mocht de wederpartij (hier: Peper en De Hart) gerechtvaardigd op vertrouwen?’. Idee 2 betreft wat ik een ‘vertrouwensgeval’ noem: een geval waarin de wederpartij een bepaald feit bekend heeft gemaakt aan een functionaris van de rechtspersoon (of weet dat die functionaris het feit in kwestie kent) en erop vertrouwt dat mét die functionaris ook de rechtspersoon dat feit kent.7 Voor de beoordeling of het vertrouwen gerechtvaardigd is, is weliswaar relevant wat in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden, maar het is niet allesbepalend. Ook de kennis en hoedanigheid van deze wederpartij en de verwachtingen die specifiek jegens deze wederpartij zijn gewekt, doen daarvoor ter zake. Het gelijkstellen van de vraag naar de opvattingen in het maatschappelijk verkeer met de vraag naar het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij acht ik onzuiver en verwarrend. Veel situaties waarin beoordeeld moet worden of de kennis van een functionaris kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, zijn geen vertrouwensgevallen. Soms heeft de wederpartij helemaal niet geweten dat een functionaris van de rechtspersoon de relevante kennis bezat. Soms doet überhaupt niet ter zake waar de wederpartij op heeft vertrouwd. Voorbeelden van dat laatste zijn de actio pauliana, de overbouw te kwader trouw (art. 5:54 lid 3 BW), de revindicatie en het onrechtmatig profiteren van wanprestatie.8
129. De spanning tussen objectieve maatstaven voor kennistoerekening en de bescherming van het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij treft men ook aan in Duitsland, al vormt die ook daar nauwelijks onderwerp van debat. Enerzijds heeft het BGH geoordeeld dat de grondslag voor toerekening van kennis niet in de orgaanleer ligt, maar in de ‘Verkehrsschutz’, hetgeen vertaald zou kunnen worden als de bescherming van het handelsverkeer. Het BGH past zijn leer inzake toerekening van kennis ook toe op niet-vertrouwensgevallen, zoals bij de beoordeling van een actio pauliana.9 Anderzijds hecht het BGH bij de beoordeling van kennistoerekening veel waarde aan het vertrouwen van de wederpartij en heeft het in 2015 geweigerd om de regels over toerekening van kennis op dezelfde wijze toe te passen in een buitencontractuele verhouding als in een contractuele verhouding.10 Ook in de Duitse literatuur wordt wel gesteld dat de gerechtvaardigde verwachtingen van de wederpartij doorslaggevend zijn.11 Deze lastig te duiden lijn in de rechtspraak van het BGH wordt in meer detail besproken in par. 9.6.6.