Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.5.3.1
6.5.3.1 Midland Bank-principe: directe kosten
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS419397:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het onderscheid tussen directe en algemene kosten H.W.M. van Kesteren, ‘Directe en algemene kosten in de btw’, WFR 2008/318 en Dennis Ramsdahl Jensen en Henrik Stensgaard, ‘The Distinction between Direct and General Costs with Regard to the Deduction of Input VAT – the Case of Acquisition, Holding and Sale of Shares’, World Tax Journal February 2012.
Deze mogelijkheid is feitelijk alleen op te maken uit de arresten BLP en Midland. In de daaropvolgende arresten zoals Abbey National I, Cibo en Kretztechnik is de formulering steeds zo dat er alleen sprake kan zijn van directe kosten met betrekking tot een handeling in een later stadium die recht geeft op aftrek van voorbelasting. Hierdoor lijken directe kosten met betrekking tot vrijgestelde prestaties uitgesloten. Zie in dit verband HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-408/98, V-N 2001/15.26, r.o. 28 (Abbey National I), HvJ EG 27 september 2001, nr. C-16/00, FED 2002/31, r.o. 31 (Cibo) en HvJ EG 26 mei 2005, nr. C-465/03, BNB 2005/313, r.o. 35 (Kretztechnik). Overigens ga ik ervan uit dat de mogelijkheid van rechtstreekse toerekening aan vrijgestelde prestaties in die zaken over het hoofd wordt gezien, aangezien er in alle drie de zaken sprake is van belaste handelingen en onbelastbare handelingen, en rechtstreekse toerekening aan vrijgestelde prestaties niet aan de orde is.
Zie rechtsoverweging 30. Dit is in ieder geval hoe de verdisconteringstoets in het Midlandarrest is geformuleerd. In latere arresten raakt het gebruikscriterium meer op de achtergrond.
Ik begrijp dat Van Doesum en Van Kesteren een vergelijkbare visie hebben. Zij merken op: “Dat betekent naar onze mening dat wanneer goederen en diensten feitelijk worden gebruikt voor bepaalde vrijgestelde handelingen (finaliteit en/of causaliteit), maar de kosten ervan volledig worden verdisconteerd in de prijzen van andere, belaste uitgaande handelingen, waarvoor zij (absoluut) niet zijn gebruikt […], weliswaar op basis van de verdisconteringstoets de kosten niet meer verondersteld kunnen worden onderdeel te zijn van de prijzen van de vrijgestelde uitgaande handelingen, maar dat op basis van de finaliteitstoets of de causaliteitstoets toch tot een onlosmakelijke samenhang met de vrijgestelde handelingen moet worden geconcludeerd.” A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, ‘De onlosmakelijke samenhang tussen kosten en belastbare handelingen’, WFR 2012/885, onderdeel 4.5.2.
Zie A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, ‘De onlosmakelijke samenhang tussen kosten en belastbare handelingen’, WFR 2012/885. De wijze waarop de verdisconteringstoets is geherformuleerd in het arrest AB SKF maakt dat manipulatie wellicht toch tot de mogelijkheden behoort.
Dennis Ramsdahl Jensen en Henrik Stensgaard, ‘The Distinction between Direct and General Costs with Regard to the Deduction of Input VAT – the Case of Acquisition, Holding and Sale of Shares’, World Tax Journal February 2012 merken in dit verband op dat aftrekbaarheid van kosten niet zou mogen afhangen van de wijze waarop ze geboekt worden in de administratie.
Zie ook J.J.M. Lamers en M.M.W.D. Merkx, ‘Btw, een kosten-batenanalyse’, WFR 2010/907.
Het Hof van Justitie neemt derhalve twee stappen in zijn beantwoording van de vraag of Midland Bank recht op aftrek heeft. Bij de eerste stap onderzoekt het Hof van Justitie of de kosten voor volledige aftrek in aanmerking komen, omdat deze voorondersteld kunnen worden bestanddeel te zijn van de kostprijs van een specifieke uitgaande belaste handeling. Dit betreft de vraag of sprake is van directe kosten.1 Dat wil zeggen, kosten die rechtstreeks en uitsluitend toerekenbaar zijn aan één specifieke uitgaande activiteit. Deze eerste stap kan leiden tot drie mogelijke uitkomsten. Ten eerste kan de conclusie zijn dat de gemaakte kosten inderdaad moeten worden voorondersteld bestanddeel te zijn van de kostprijs van een belaste uitgaande handeling. Het betreft dan directe kosten voor een belaste (of anderszins aftrekgerechtigde) prestatie waarvoor een volledig recht op aftrek bestaat. Daarnaast kan de conclusie zijn dat de kosten moeten worden voorondersteld te zijn opgenomen in de kostprijs van een uitgaande belastbare, maar vrijgestelde handeling. Ook dan is sprake van directe kosten en is in het geheel geen aftrek mogelijk.2 De derde mogelijke uitkomst is dat de gemaakte kosten niet kunnen worden aangemerkt als directe kosten. In dat geval is in beginsel sprake van algemene kosten, die in het kader van de tweede stap van het Midland Bank-principe aan de orde komen in paragraaf 6.5.3.2.
De toets die in de eerste stap van het Midland-arrest wordt aangelegd om te onderzoeken of kosten bestanddeel zijn van de kostprijs van een specifieke uitgaande handeling is de verdisconteringstoets. Deze toets vooronderstelt dat kosten een bestanddeel vormen van de kostprijs van de belastbare prestatie waarbij gebruik wordt gemaakt van deze goederen en diensten.3 In dit verband is van belang om vast te stellen dat het gebruik van goederen en diensten hiermee vooropstaat: de verdiscontering is een juridische vooronderstelling die voortvloeit uit dat feitelijke gebruik.4 De suggestie dat de verdisconteringstoets eenvoudig te manipuleren is doordat de kosten voor een vrijgestelde handeling boekhoudkundig kunnen worden opgenomen in de kostprijs van een belaste handeling, lijkt mij daarmee dan ook onjuist.5 Bovendien dunkt me dat manipulatie van de verdisconteringstoets in vorenbedoelde zin slechts mogelijk is indien vooronderstelde verdiscontering zou plaatsvinden op het niveau van de verkoopprijs van een dienst of goed. Omdat het Hof van Justitie spreekt over de kostprijs, ga ik ervan uit dat het Hof van Justitie nu juist niet doelt op de verkoopprijs. Ervan uitgaande dat de kostprijs weerspiegelt welke kosten daadwerkelijk in economische zin zijn gemaakt in de productie of voortbrenging van een goed of dienst, lijkt manipulatie mij op dit niveau niet mogelijk.6 Daarbij merk ik op dat de mogelijkheid van dergelijke manipulatie vanuit het oogpunt van de wezenlijke kenmerken van de btw onwenselijk moet worden geacht, nu dit kan leiden tot een verstoring van concurrentieverhoudingen en rechtsongelijkheid.
Daarbij wijs ik erop dat wanneer daadwerkelijke verdiscontering zou worden vereist op het niveau van de verkoopprijs, dit zou moeten betekenen dat iedere onderneming winstgevend zou moeten zijn, terwijl het oogmerk of resultaat van een economische activiteit in de btw nu juist niet van belang moet worden geacht.7 Het verrichten van economische activiteiten leidt immers tot belastingplicht, ongeacht het oogmerk of resultaat hiervan (zie artikel 9 lid 1 Btw-richtlijn).
Ik wijs er evenwel op dat toepassing van de verdisconteringstoets door het Hof van Justitie tot nog toe steeds leidt tot de conclusie dat geen sprake is van directe kosten. Hierdoor is niet geheel vast te stellen welke eisen het Hof van Justitie nu echt stelt, en in hoeverre daadwerkelijke verdiscontering vereist is. Naar mijn idee is sprake van directe kosten indien goederen en diensten worden gebruikt voor een belastbare handeling in een later stadium, en dus geacht moeten worden onderdeel van de kostprijs van die belastbare handeling te zijn. Naar mijn idee is deze toets van vooronderstelde verdiscontering een bruikbare toets voor het bestaan van directe kosten, indien het feitelijk gebruik als uitgangspunt wordt genomen. Zoals reeds aangegeven, doet deze benadering bovendien het meest recht aan de fisale neutraliteit, zowel in economische als juridische zin.