Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1
III.5.1 Menselijke waardigheid als filosofisch concept
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459209:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
P.B. Cliteur & R.G.T. van Wissen, ‘De menselijke waardigheid als grondslag voor mensenrechten. Een beschouwing over het werk van Kant en Schopenhauer in relatie tot de filosofische reflectie over mensenrechten’, in: G.A. van der List (red.), De rechten van de mens, ’s-Gravenhage: Teldersstichting 1998, p. 29 en E. Brems & J. Vrielink, Menselijkewaardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 9.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegungzur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 434-435.
O. Sensen, ‘Kant’s Conception of Human Dignity’, Kant-Studien 2009, 3, p. 309-331.
P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over “menselijke waardigheid” als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (red.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 77.
O. Sensen, ‘Kant’s Conception of Human Dignity’, Kant-Studien 2009, 3, p. 312. Vgl R. Stoecker, ‘Three Crucial Turns on the Road to an Adequate Understanding of Human Dignity’, in: P. Kaufmann, H. Kuch, C. Neuhäuser & E. Webster (eds.), Humiliation, Degradation,Dehumanization: Human Dignity Violated, Dordrecht: Springer 2011, p. 8.
O. Sensen, ‘Kant’s Conception of Human Dignity’, Kant-Studien 2009, 3, p. 314.
I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegungzur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 421, 432, 440. Johnson beargumenteert dat de eerste formulering van de categorische imperatief (the Formulaof the Universal Law of Nature, G:421) en de derde formulering (the Formula of Autonomy, G:432, 440) de mens respectievelijk als volger van een universele wet én als wetgever van universele wetten ziet. De eerste beschrijving bepaalt dat mensen alleen horen te handelen als ze willen dat anderen ook op die manier handelen. De derde beschrijving bepaalt dat mensen universele wetten moeten formuleren (om vervolgens in overeenstemming met de wet te handelen). Volgens Wolff hoort bij de derde categorische imperatief de universele wet volledig belangeloos te worden geformuleerd, terwijl bij theFormula of Universal Law of Nature enig zelfbelang een rol kan spelen. Ik kan namelijk een geldbedrag aan een goed doel schenken en vinden dat iedereen dat zou moeten doen, omdat ik hoop dat een goede daad zich dubbel terug betaalt. R.P. Wolff, The Autonomyof Reason: A Commentary on Kant’s Groundwork of the Metaphysic of Morals, New York, NY: Harper & Row 1973, p. 178-180 en R. Johnson, ‘Kant's Moral Philosophy’, in: E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2013 Edition), http://plato.stanford.edu/entries/kant-moral/.
P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over ‘menselijke waardigheid’ als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (red.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 77.
Kants kritische filosofie is van doorslaggevende betekenis voor de ontwikkeling van de notie van de menselijke waardigheid.1 Zoals al in de inleiding werd vermeld, wordt Kants werk in dit hoofdstuk enkel als middel gebruikt. Het vormt namelijk voor een belangrijk deel de grondslag van het begrip menselijke waardigheid zoals wij dat nu kennen. Daarnaast biedt het interessante aanknopingspunten voor het juridische concept menselijke waardigheid. Het is bij de beschrijving niet mijn doel om discussies over de interpretatie van (de delen van) zijn werk te beslechten.
Kant schrijft in zijn Grundlegung zur Metaphysik der Sitten dat in het Rijkder- doelen alles een prijs of waardigheid heeft.2 Alles wat een prijs heeft, kan worden vervangen. Alles wat onvervangbaar en boven elke prijs verheven is, heeft waardigheid. Kant vervolgt dat alles wat een doel-in-zichzelf kan zijn onvervangbaar is. De mens is bij uitstek een doel-in-zichzelf. Omdat mensen intrinsieke waarde hebben, dienen zij altijd ook als doel en nooit enkel als middel te worden gebruikt. Wanneer een mens enkel als middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken, heeft die persoon niet langer intrinsieke waarde maar wordt hij als instrument gebruikt. De mens die puur als instrument wordt gebruikt, wordt niet menswaardig behandeld.
Volgens Sensen zijn er drie manieren om naar Kants uitleg van waardigheid te kijken.3 Ten eerste via het hedendaagse paradigma (contemporaryparadigm) dat de menselijke waardigheid als een absolute innerlijke waarde ziet dat alle mensen bezitten. Vanwege het mens-zijn bezit de mens waardigheid. Dat mensen waardigheid bezitten is een normatieve reden om respect voor andere mensen te tonen. De waardigheid van mensen wordt gerespecteerd als hun rechten worden geëerbiedigd. Door rechten van een persoon te respecteren, zoals zijn zelfbeschikkingsrecht en het respect op onaantastbaarheid van het lichaam, wordt hij als een doel-in-zichzelf behandeld. Hierdoor kan een persoon zijn eigen wetgever zijn en zelf zijn gedrag bepalen. Hij is in die situatie geen instrument van een ander. Als een mens als middel wordt gebruikt, bepaalt hij volledig niet zelf zijn gedrag. Door anderen onder dwang of misleiding bepaald gedrag te laten vertonen, wordt de waardigheid van de mens aangetast.
Een duidelijk strafrechtelijk voorbeeld is het folteren van de verdachte om informatie te verkrijgen. De gefolterde persoon wordt dan enkel als middel, bron van informatie, gebruikt. Iemand als doel-in-zichzelf behandelen, betekent respect hebben voor zijn rationaliteit. Respect tonen voor de rationaliteit van de mens zorgt ervoor dat hij zelfstandig zijn wensen en doelen kan bepalen, uiten en nastreven. Het is dit (volgens Kant uniek) menselijk vermogen dat door foltering wordt aangetast. De verdachte is niet langer een rationeel en vrij wezen. Hij kan zijn doelen in het strafproces niet nastreven – bijvoorbeeld bij de bepaling van zijn proceshouding – doordat hij met fysiek en/of psychologisch geweld wordt gedwongen informatie te verstrekken. Daardoor wordt de menselijke waardigheid van de gefolterde verdachte aangetast. In het hedendaagse paradigma ligt de nadruk van de menselijke waardigheid op het respecteren van rechten van anderen,4 op het voorkomen dat mensen als instrument worden gebruikt.
Het tweede paradigma, het archaïsche (archaic paradigm), maakt echter duidelijk dat niet per definitie alle mensen (evenveel) waardigheid bezitten, zoals dat wel het normatieve uitgangspunt van het hedendaagse paradigma is. Waardigheid geeft van oudsher een interpersoonlijke verhouding aan. In dit paradigma wordt waardigheid gedefinieerd door de term dignitas (letterlijk: maatschappelijk aanzien).5Dignitas betekent dat een persoon een hogere rang heeft dan of verheven is boven een ander persoon. Als waardigheid een interpersoonlijke verhouding aangeeft, kan niet elke persoon (evenveel) waardigheid bezitten. Slechts een beperkt aantal personen heeft een hogere rang of is verheven boven anderen. Een generaal heeft bijvoorbeeld meer waardigheid dan een kolonel, majoor of luitenant. De waardigheid van de persoon wordt in dit voorbeeld verbonden aan zijn (militaire) rang. Doordat een persoon een hogere rang bezit, heeft hij meer waardigheid. In deze zin is waardigheid een prestatie-eigenschap en geen capaciteitseigenschap (zoals in het hedendaagse paradigma). Waardigheid is namelijk afhankelijk van de prestaties die een persoon heeft geleverd om een bepaalde functie of rang te bereiken.
Een derde manier om naar de menselijke waardigheid in Kants werk te kijken, komt voort uit het archaïsche paradigma. Het uitgangspunt binnen dit derde paradigma – dat door Sensen traditioneel wordt genoemd – is dat mensen, niet ten opzichte van elkaar, maar in de natuur een hogere positie hebben omdat mensen bepaalde (cognitieve) capaciteiten bezitten die andere wezens niet bezitten. Waardigheid is daarbij niet een absoluut bezit van de mens, maar een mens kan waardigheid verkrijgen door zijn handelen. Net zoals in het archaïsche paradigma is waardigheid een relatieve waarde die een persoon in meerdere of mindere mate kan bezitten. Het verkrijgen van waardigheid vindt echter niet plaats op basis van bijvoorbeeld status, maar op grond van de gebruikmaking van menselijke vermogens. Een persoon verkrijgt waardigheid in het traditionele paradigma als de rede het gedrag van de persoon op een correcte manier vormt. Niet enkel de functie of rang die iemand bezit, bepaalt het niveau van waardigheid van de persoon. De manier waarop de persoon zich gedraagt, bepaalt zijn waardigheid. In dit paradigma handelt men in overeenstemming met de menselijke waardigheid als het handelen in overeenstemming met Kants categorische imperatief is.6 Het handelen van persoon is in overeenstemming met de categorische imperatief als de persoon wil dat alle personen op dezelfde manier zouden handelen, alsof zijn handelen dus een algemeen geldende wet zou zijn.7 Zo kan een persoon die anderen lichamelijk of psychisch letsel toebrengt niet willen dat het toebrengen van letsel een algemeen geldende wet dient te zijn. Dit zou namelijk betekenen dat anderen hem ook letsel mogen toedienen. Als een persoon van zijn gedrag niet wil dat het een algemeen geldende wet wordt, dan handelt hij niet in overeenstemming met de categorische imperatief. De waardigheid, handelen in overeenstemming met een algemeen geldende wet, behelst dan een plicht tot moreel handelen door het individu.8 In het traditionele paradigma wordt de menselijke waardigheid gebaseerd op de verplichting van de mens om juist te handelen (terwijl in het hedendaagse paradigma de plicht bestaat om anderen met respect te behandelen). Een mens heeft derhalve zelf de keuze of hij, door zijn handelen, waardigheid verkrijgt (terwijl in het hedendaagse paradigma iedereen waardigheid bezit en daarom respect verdient). Hieronder worden deze drie concepten van menselijke waardigheid toegepast op het strafprocesrecht en dan met name op de positie van de verdachte binnen het proces.
III.5.1.1 Drie concepten van menselijke waardigheid toegepast op de strafvorderingIII.5.1.2 Tussenconclusie: autonomie en eer