De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.3:5.7.3 De kapitaalvennootschappen
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.3
5.7.3 De kapitaalvennootschappen
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS391525:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard dienen hierbij wel de regels ten aanzien van kapitaalbescherming in acht te worden genomen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kapitaalvennootschappen zijn geen overeenkomsten maar rechtspersonen en daarmee rechtsfiguren van geheel eigen aard en organisatie. Dit betekent allereerst dat wanneer men de maatschap ‘inruilt’ voor een BV of een NV, de contractueel bepaalde (maatschaps)verhoudingen worden ‘ingeruild’ voor de grotendeels dwingendrechtelijk geregelde structuur van een geïnstitutionaliseerde rechtspersoon. De kapitaalvennootschappen zijn daarnaast van nature niet op samenwerking gericht maar georiënteerd op het voeren van een bedrijf ter behartiging van de belangen van risicodragende kapitaalverschaffers. Dit maakt dat de kapitaalstructuur noch de dualistische beheersstructuur van de kapitaalvennootschappen (in beginsel) goed aansluiten bij de (in de vorige paragraaf beschreven) uitgangspunten van de samenwerking door beroepsbeoefenaren in een maatschap (platte, persoonlijke en flexibele organisatiestructuur).
Met name de NV is onderworpen aan een sterk dwingendrechtelijk wettelijk regime. Er gelden dwingendrechtelijke regels ten aanzien van zowel het karakter, de oprichting, het kapitaal als de (inrichting van de) orgaanstructuur van de vennootschap. Dit maakt deze rechtsvorm aanzienlijk minder flexibel – wat betreft de inrichting ervan – dan de maatschap. Met name het feit dat de beheersstructuur niet goed is te construeren naar een vorm waarbij zeggenschap en winstgerechtigdheid (meer) hand in hand gaan, is een nadeel aan de NV. Daarnaast maken de dwingendrechtelijke regels ten aanzien van kapitaal(bescherming) de NV aanzienlijk minder aantrekkelijk.
De BV is, zoals in de vorige paragrafen al aangegeven, sinds de invoering van de Wet Flex-BV aanzienlijk flexibeler wat betreft organisatiestructuur dan de NV. Met name door de veranderingen in de (dwingendrechtelijkheid van) regels over kapitaal(bescherming), orgaanstructuur en besluitvorming kent zij een groter aantal mogelijkheden om haar interne structuur naar wens vorm te geven. Toch is zij qua flexibiliteit niet gelijkwaardig aan de maatschap. Dit heeft met name te maken met het feit dat zij, gezien haar karakter van (Boek 2 BW-)rechtspersoon (en vennootschap), voor een groot deel (ook nog steeds) onderworpen is aan dwingendrechtelijke bepalingen. Hierdoor is het bijvoorbeeld lastiger om binnen de vennootschap een daadwerkelijk ‘platte’ organisatiestructuur te creëren en de beleidsbepaling en winstgerechtigheid hand in hand te laten gaan. Zeker wanneer beroepsbeoefenaren er, omwille van het risico op bestuurdersaansprakelijkheid, voor kiezen om niet als bestuurder van de vennootschap te fungeren.
Zoals in de vorige paragrafen een aantal keer aan de orde kwam, is het mogelijk om zowel bij de NV als de BV afspraken tussen aandeelhouders vast te leggen in een aandeelhoudersovereenkomst. Hierbij dient echter wel altijd het (dwingendrechtelijk) wettelijk regime in het achterhoofd gehouden te worden. Bovendien is het ook niet (in alle gevallen) zeker wat de daadwerkelijke invloed van dergelijke afspraken is omdat er, zoals in paragraaf 5.6.1.1 besproken, in de literatuur en jurisprudentie geen eenduidige lijn bestaat ten aanzien van het antwoord op de vraag of aan aandeelhoudersovereenkomsten vennootschappelijke werking toekomt. Toch maakt een aandeelhoudersovereenkomst het mogelijk om – binnen de grenzen van de wet – de interne structuur van een kapitaalvennootschap te ‘plooien’ naar de behoefte van haar gebruikers. Hoewel de kapitaalvennootschappen (in beginsel) geen contractueel karakter hebben, maakt het gebruik van aandeelhoudersovereenkomsten dat er wel ‘vijftig tinten grijs’ (kunnen) ontstaan ten aanzien van de inrichting van het samenwerkingsverband en de institutionele opvatting.
Voor beide kapitaalvennootschappen geldt overigens dat zij op het gebied van herstructurering wel aanzienlijk flexibeler zijn dan de maatschap. Op basis van duidelijke wettelijke regels kunnen beide vennootschappen relatief eenvoudig worden omgezet in een andere rechtspersoon en juridisch fuseren en splitsen. Het veranderen van de samenstelling van de vennoten is relatief eenvoudig1 en heeft daarnaast geen goederenrechtelijke consequenties zoals bij de maatschap.
Deze laatste eigenschap maakt ook dat de kapitaalvennootschappen goed ‘scoren’ op de driver continuïteit. Het feit dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en derhalve zelfstandig drager van rechten en plichten zijn (artikel 2:5 BW) alsmede onderworpen aan een gesloten en grotendeels dwingendrechtelijk wettelijk systeem (afdeling 2.1 BW), heeft als belangrijk voordeel dat de continuïteit van een samenwerkingsverband ondergebracht in een van deze rechtsvormen, beter gewaarborgd is dan bij de maatschap (die is aangegaan zonder aanvullende afspraken). De rechtspersoonlijkheid lost de goederenrechtelijke problematiek die bij de maatschap (bij toe- en uittreding, ontbinding en vereffening) speelt namelijk op.
Ook op het gebied van rechtszekerheid kennen de kapitaalvennootschappen voordelen ten opzichte van de maatschap. Onder andere de heldere wettelijk regels omtrent het ontstaan van de rechtspersoon, de openbaarheid van de organisatie- en kapitaalstructuur naar derden toe (door middel van inschrijving van onder andere de statuten) en de duidelijke regels omtrent het einde en de vereffening van de rechtsvorm, maken de kapitaalvennootschappen (en eigenlijk alle rechtspersonen) aanzienlijk aantrekkelijker op het gebied van rechtszekerheid dan de maatschap waarbij, zoals gezegd, vanwege haar karakter en materiële kenmerken soms alleen al sprake kan zijn van twijfel over ontstaan of bestaan ervan.