De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.2:5.7.2 De maatschap
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.2
5.7.2 De maatschap
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS385549:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hiertoe besliste de tuchtkamer van het notariaat in zijn uitspraak van 4 februari 2016, zie Kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam 4 februari 2016, ECLI:NL:TNORAMS:2016:2.
Zie o.a. Tervoort 2016, p. 168 en Koster 2012.
Tervoort 2016, p. 168.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer beroepsbeoefenaren samenwerken in een maatschap wordt deze samenwerking gekenmerkt door (het gebruik van) een rechtsvorm die van nature is gericht op samenwerking en gelijkwaardigheid tussen de compagnons. De samenwerking is daarnaast persoonsgebonden en heeft een besloten karakter (de onderlinge afspraken en ook jaarcijfers zijn voor (het grootste deel) niet kenbaar voor derden). Bovendien wordt de samenwerking gekenmerkt door een ‘platte’ organisatie waarin zeggenschap en winstgerechtigheid van de compagnons (in beginsel) samengaan. Bij de samenwerking en de inrichting van de rechtsvorm dient bovendien rekening te (kunnen) worden gehouden met de beroepsregels van de samenwerkende beroepsgroep(en) (bijvoorbeeld de integrale bekostiging bij medisch specialisten, het verbod op interdisciplinaire samenwerking voor notarissen en het verbod op externe (niet-notaris) groot aandeelhouders bij een notarispraktijk1).
Wanneer we de maatschap bekijken in het licht van de drie drijfveren achter de keuze voor een juridische organisatiestructuur valt allereerst en bovenal op dat zij erg flexibel is. In feite hangen alle voordelen van de maatschap samen met deze drijfveer. Om te beginnen is een groot voordeel van de maatschap, ten opzichte van de besproken rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid, dat er (grotendeels) regelend recht op van toepassing is. Dit maakt het voor beroepsbeoefenaren die de maatschap als rechtsvorm gebruiken mogelijk om hun samenwerkingsverband naar eigen wens in te richten. Ook het karakter van de maatschap als overeenkomst speelt een belangrijke rol in de mate van flexibiliteit van deze rechtsvorm. Er zijn (mede door dit karakter) weinig tot geen wettelijke regels die gelden ten aanzien van vorm(vereisten), kapitaal(bescherming) en formaliteiten.2 Het aangaan van de maatschap is derhalve zeer flexibel. Ook gedurende het bestaan van de maatschap is zij ten aanzien van de orgaan- en beheersstructuur alsmede de besluitvorming goed aan te passen aan de wensen en eisen van de beroepsbeoefenaren die de rechtsvorm gebruiken. Vooraf is de inrichting uitstekend te regelen in een (schriftelijke) overeenkomst tussen de maten en als er gedurende de rit wijzigingen dienen te worden aangebracht, is het wijzigen van deze overeenkomst hiervoor het enige vereiste. Voor de orgaan- en beheersstructuur geldt overigens dat de wet hieromtrent ook (al) een vrij duidelijke regeling bevat, die is afgestemd op gezamenlijke beroepsuitoefening op basis van gelijkwaardigheid.
Een minder flexibele kant van de maatschap ziet op de regels over (de verdeling van) winst en verlies. Er bestaat ten aanzien hiervan een aantal dwingendrechtelijke bepalingen die, in de literatuur, als ouderwets en star worden ervaren. Door verschillende auteurs wordt onder andere gepleit voor afschaffing van de societas leonina.3 Op dit punt zijn de regels van de BV (en de coöperatie) aanzienlijk flexibeler dan die van de maatschap.4 Het bestaan van deze regels voor de maatschap is echter, gezien het karakter van de maatschap als samenwerkingsverband, wel goed te verklaren. Het doel van deze bepalingen is namelijk de samenwerking op basis van gelijkwaardigheid tussen de maten te waarborgen. In de praktijk zal het bovendien maar de vraag zijn in hoeverre er bij samenwerkende beroepsbeoefenaren behoefte bestaat aan het gebruik van bijvoorbeeld winstrechtloze aandelen. De meeste vennoten zullen in dit kader immers willen delen in de winst van het samenwerkingsverband. Een belangrijker nadeel van de maatschap in het kader van flexibiliteit is het feit dat elke wisseling in de vennoten in beginsel het einde van de maatschap betekent. Het is echter goed mogelijk om (ook) hierover de nodige aanvullende en/of afwijkende afspraken te maken.
Het wijzigen van een maatschapsovereenkomst gedurende de rit is overigens in beginsel lastiger dan het wijzigen van de statuten van een rechtspersoon, aangezien voor het eerstgenoemde eenparigheid van stemmen nodig is, terwijl statuten op basis van de wet (artikel 2:121/231 BW) in de meeste gevallen met een gewone meerderheid kunnen worden gewijzigd. Ook ten aanzien hiervan kunnen de vennoten echter voorafgaand aan de samenwerking andere afspraken maken.
Ten aanzien van de drijfveer continuïteit kent de maatschap als nadeel dat zij niet is aan te merken als rechtspersoon en daarmee geen eigen vermogen kan hebben. Dit heeft met name goederenrechtelijk gezien ingewikkelde consequenties. Het feit dat niet de maatschap zelf maar de vennoten gezamenlijk gerechtigd zijn tot de zogenoemde vennootschapsgoederengemeenschap, maakt zowel het (goederenrechtelijk) inbrengen (er dient aan of door alle vennoten geleverd te worden) als het vereffenen van het vermogen lastig(er). Ook wisselingen in de samenstelling van de vennoten zijn hierdoor niet (altijd) gemakkelijk te realiseren. De maatschap ‘scoort’ überhaupt niet erg goed op het gebied van herstructurering. In beginsel leiden (verbintenisrechtelijk gezien) immers alle wisselingen in de vennoten tot de ontbinding van de maatschap. Er dienen dus zowel goederenrechtelijk als verbintenisrechtelijk aanvullende maatregelen te worden getroffen om de continuïteit van het samenwerkingsverband te kunnen waarborgen.
Wat betreft de rechtszekerheid is het bij de maatschap, zo blijkt uit het voorgaande, dus vooral van belang dat voorafgaand aan de samenwerking daadwerkelijk, het liefst schriftelijke, aanvullende en/of afwijkende afspraken worden gemaakt door de vennoten over de vormgeving van hun samenwerking. Wanneer dit niet gebeurt, zijn de bepalingen uit de wettelijke regeling over de maatschap (titel 9 van Boek 7A) van toepassing. Deze regeling is echter sterk verouderd en daarmee vaak slecht leesbaar. Dit kan leiden tot onduidelijkheden en interpretatie-problematiek van allerlei aard. Kortom, de rechtszekerheid voor de maten bij het gebruik van de maatschap is (in ieder geval) voldoende gewaarborgd wanneer zij voorafgaand aan de samenwerking duidelijke (aanvullende) afspraken maken. De rechtszekerheid voor derden is overigens (in de meeste gevallen) voldoende gewaarborgd vanwege het feit dat de maatschap moet worden ingeschreven in het handelsregister (artikel 5 Hrgw) op basis waarvan de derde bescherming geniet (artikel 25 Hrgw).
Naast het feit dat de maatschap wat betreft organisatiestructuur (orgaan- en beheersstructuur) van nature is afgestemd op (gelijkwaardige) samenwerking door beroepsbeoefenaren, gelden de vertrouwelijkheid van deze rechtsvorm en de relatief lage kosten ervan als belangrijke overige voordelen.