Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.12.2.1
5.12.2.1 De tariefstructuur
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602211:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
In beleggingstheoretische termen betekent dit dat de vergoeding meer gekoppeld moet worden aan de α (de individuele, bovengemiddelde prestatie van de vermogensbeheerder), waar ze nu vooral gerelateerd is aan de β (de algehele marktbeweging). Zie par. 3.2.5. Voor een dergelijke prestatievergoeding is het nodig om een dergelijk surplus-rendement te kunnen meten. Zie daarvoor par. 5.15.3.
Commissie Frijns 2010, p. 45. Zie ook Slager 2012, p. 15.
Zie par. 5.10.3.
LCP 2011, p. 28. PFZW en ABP hebben aangegeven een malusregeling voor hun vermogensbeheerders in te voeren (Moss 2014).
De tarieven van vermogensbeheerders zijn doorgaans geheel of voor het grootste gedeelte afhankelijk van de omvang van het belegde vermogen. Er is daardoor geen of weinig verband tussen de prestatie van de vermogensbeheerder en de kosten die hij in rekening brengt. Een prestatiegedreven tariefstructuur heeft eerder de vorm van een laag basistarief, aangevuld met een prestatievergoeding die afhankelijk is van de toegevoegde waarde van de vermogensbeheerder.1 Een valkuil bij mandaten met een deels prestatiegebonden vergoeding, is dat het basistarief te hoog is vastgesteld. De vergoeding van de vermogensbeheerder valt dan – in vergelijking met een vergoeding naar omvang van het vermogen – reeds hoger uit wanneer de vermogensbeheerder nog geen enkele prestatie heeft neergezet.
Ook prestatiegedreven tariefstructuren zijn niet zaligmakend. Ze zijn zelden lineair. Als het rendementsdoel wordt bereikt, verkrijgt de vermogensbeheerder een bonus. Wordt het rendementsdoel niet bereikt, dan is het pensioenfonds nog steeds de basisvergoeding verschuldigd. Het pensioenfonds ontvangt niet een deel van de (vooraf betaalde) vergoeding terug. Daarvan gaat een onwenselijke prikkel uit.2 Een vermogensbeheerder die méér beleggingsrisico neemt dan strikt in het belang van zijn cliënt is, vergroot daarmee de kans dat de benchmark (ruim) wordt verslagen, maar ook de kans dat de benchmark (ruim) niet gehaald wordt. In het eerste geval ontvangt hij een (hogere) bonus. In het laatste geval echter, komt de (onnodig hoge) rekening bij de cliënt te liggen. Dit gegeven maakt het extra belangrijk om duidelijke risicobegrenzingen in het mandaat op te nemen.3
Nog beter is het als ook de prestatiegedreven tariefstructuur (meer) lineair werd gemaakt. Dat betekent dat het pensioenfonds een deel van de vergoeding terug ontvangt wanneer het rendementsdoel niet wordt bereikt. De vermogensbeheerder heeft dan altijd een prikkel om het verlies te beperken. Een dergelijke vergoedingsstructuur is nog erg zeldzaam, maar komt wel voor.4