Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.7:1.7 De indirecte vereniging in art. 5:20 lid 1 sub e BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.7
1.7 De indirecte vereniging in art. 5:20 lid 1 sub e BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483086:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie NvW, PG Boek 5, p. 123.
Tenzij natrekking doorbroken wordt door vestiging van een opstalrecht (art. 5:101 BW).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 5:20 lid 1 sub e BW bepaalt:
“De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt:
(…)
gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.”
Gezien de herkomst van de indirecte vereniging in de wet is het opnemen van de indirecte vereniging in art. 5:20 lid 1 sub e BW onjuist. Het betreft immers 3:4 BW bestanddelen die door middel van een opstalrecht verzelfstandigd zijn en derhalve juist niet nagetrokken worden door de eigendom van de grond.
Bij de redactie van art. 5:20 lid 1 sub e BW is ervoor gekozen om de tekst van art. 3:3 lid 1 BW over te nemen.1 Dit om duidelijk te maken dat gebouwen en werken die op grond van art. 3:3 lid 1 BW onroerend zijn (in beginsel2 ) nagetrokken worden door de grond. Door echter de gehele gewijzigde tekst met betrekking tot gebouwen en werken over te nemen, is de indirecte vereniging mijns inziens ten onrechte in art. 5:20 lid 1 sub e BW gekomen is. Een en ander zal ik in het onderstaande toelichten aan de hand van een voorbeeld.