Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.5:1.5 De indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW ziet op 3:4 BW bestanddelen die verzelfstandigd zijn door middel van een opstalrecht
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.5
1.5 De indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW ziet op 3:4 BW bestanddelen die verzelfstandigd zijn door middel van een opstalrecht
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486698:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onderzoek naar de herkomst van de indirecte vereniging leidt tot de conclusie dat deze in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, omdat het opstalrecht uitgebreid is, in die zin dat niet enkel ter hoogte van het maaiveld de natrekking doorbroken kan worden met het vestigen van een opstalrecht, maar ook gebouwen en werken die zich in, op of boven een onroerende zaak van een ander bevinden, kunnen met het opstalrecht verzelfstandigd worden. Met andere woorden: de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW ziet op 3:4 BW bestanddelen die door middel van het vestigen van een opstalrecht verzelfstandigd zijn.
Omzeiling van bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 BW door een beroep te doen op de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW, zou om die reden niet mogelijk moeten zijn. Hier zal in hoofdstuk 4 nader op ingegaan worden.
Behalve dat deze visie op de indirecte vereniging naar mijn mening wenselijk is nu het verdere uitdijing van het onroerende zaaksbegrip tegengaat, strookt deze visie met de verwijzingen in de Parlementaire Geschiedenis naar de herkomst van de indirecte vereniging. Deze uitleg van de indirecte vereniging laat tevens in stand dat zaken die onder het oude recht kwalificeerden als ‘hulpzaken’ naar huidig recht roerende zaken zijn, zoals ook beoogd werd bij de totstandkoming van het huidige BW.
Kortmann constateerde reeds voor de inwerkingtreding van het huidige Burgerlijk Wetboek dat de voormalig hulpzaken op grond van de wetsgeschiedenis niet onroerend zouden moeten zijn, op grond van de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW:
“De duurzame verbondenheid (direct of indirect) met de grond wordt hier gegeven als criterium voor het onroerend zijn (van, PP) gebouwen of werken. Betekent dit dat de huidige hulpzaken, naar komend recht onroerend zijn? Een bevestigend antwoord strookt niet met het uitgangspunt van de wetgever dat de huidige hulpzaken naar komend recht roerende zelfstandige zaken zijn.”1
Als voorbeeld van een voormalige hulpzaak noemt Kortmann een machine in een fabriek.2 Geconcludeerd kan worden dat de in het Grondreiningsinstallatie- en het WKK-arrest ingeslagen weg, dat zaken die geen bestanddeel zijn op grond van art. 3:4 BW, wel nagetrokken kunnen worden doordat zij indirect verenigd zijn met een gebouw of werk (in de zin van art. 3:3 BW) en derhalve tot de eigendom van de grond behoren, haaks staat op hetgeen door de wetgever beoogd werd.