Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.2.3
6.2.3 Splitsing van met pand of vruchtgebruik bezwaarde roerende zaken en vorderingen
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453239:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit kan zich voordoen wanneer de zaak niet een van de oude zaak te onderscheiden eigen identiteit heeft, zie Wichers 2002, p. 177, 190 e.v.
Wichers 2002, p. 320 kiest ook deze uitkomst: “Rust op de zaak een beperkt recht dan rust dit recht in beginsel ook op het afgescheidene.”
Vgl. Steneker 2012, nr. 6: “Hoewel de vordering zich dus opsplitst in twee vorderingen van lagere bedragen, behouden deze beide vorderingen overigens de identiteit van de oorspronkelijke vordering.” En: “De vordering die de nieuwe schuldeiser verkrijgt, is ook geen nieuwe vordering die bij de nieuwe schuldeiser is ontstaan, maar de oorspronkelijke vordering van een lager bedrag die op de nieuwe schuldeiser is overgegaan.” Zie over partiële cessie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 326; Rongen 2012, nr. 342.
Hiervan kan sprake zijn in een geval als bedoeld in lid 3 van art. 6:6 BW, of bij een ondeelbare prestatie, art. 6:6 lid 2 BW. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 103, 109.
Het hier besproken geval moet onderscheiden worden van de situatie dat een vordering op een reeds hoofdelijk verbonden schuldenaar wordt verpand. De vordering op de andere hoofdelijk verbonden schuldenaar is dan niet van rechtswege ook verpand; dat zal afzonderlijk dienen te geschieden, indien gewenst. Vgl. Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 100: “Het uitgangspunt van zelfstandigheid blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de schuldeiser over elk der vorderingsrechten afzonderlijk kan beschikken door een overdracht of door een afstand om baat of om niet.” Vgl. over de 403-verklaring HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447 (Akzo Nobel/ING), r.o. 3.5.4.
Vgl. HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, JOR 2015/252, met noot Steneker (Glencore/curatoren Zalco), waarin de Hoge Raad in r.o. 3.7.2 oordeelt dat art. 5:15 BW over vermenging, dat ziet op zaken die aan verschillende eigenaars toebehoren, ook van toepassing is op het geval waarin de zaken aan dezelfe eigenaar toebehoren.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 245.
Het is nog denkbaar dat een pandrecht (het equivalent van hypotheek, maar dan op niet-registergoederen, zie art. 3:227 BW) op de afgescheiden roerende zaak zou komen te rusten. Een wettelijke bepaling die een dergelijke regeling inhoudt, ontbreekt echter. Bij het geval van art. 3:229 BW doet zich wel zoiets voor: wanneer bijvoorbeeld een gebouw door brand wordt verwoest, terwijl op het perceel een hypotheekrecht rust, krijgt de hypotheekhouder een pandrecht op de vordering die de eigenaar van het perceel op de verzekeraar verkrijgt uit hoofde van diens verzekering. Het hypotheekrecht is echter niet teniet gegaan, nu de grond zelf als object is blijven bestaan. In dat geval vekrijgt de hypotheekhouder naast het hypotheekrecht een pandrecht en niet één recht op de twee ontstane objecten. Zie Spath 2010, p. 17-18, 388.
“Erzeugnisse und sonstige Bestandteile einer Sache gehören auch nach der Trennung dem Eigentümer der Sache, soweit sich nicht aus den §§ 954 bis 957 ein anderes ergibt.”
“Das Pfandrecht erstreckt sich auf die Erzeugnisse, die von dem Pfande getrennt werden.”
MünchKommBGB/Damrau 2013 §1212 nr. 1; MünchKommBGB/Oechsler 2013 §953 nr. 7; Staudinger/Gursky 2011 §953 nr. 5; Staudinger/Wiegand 2009 §1212 nr. 2. Zie ook Spath 2010, p. 176.
Impliciet: Furche 2005, p. 236-239.
Suijling 1940, nr. 221.
Suijling 1940, nr. 221.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 200, 203; De Groot, GS Zakelijke rechten, art. 5:1 BW, aant. 15 (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2013); Spath 2010, nr. 113.
Spath 2010, nr. 109-110.
Spath 2010, nr. 111.
HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192 (Glencore/curatoren Zalco); de noot van Steneker onder dit arrest in JOR 2015/252.
Impliciet ook: Spath 2004, p. 99-100.
Vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 245.
Spath 2004, p. 99-100.
Dat het bij natrekking en vermenging (art. 5:14 en 15 BW) wél van belang is of een hoofdzaak is aan te merken, doet aan het voorgaande niet af. Bij natrekking en vermenging is immers sprake van het ontstaan van één zaak, terwijl bij splitsing van een roerende zaak nu juist twee (of meer) zelfstandige zaken ontstaan. Dat één van die twee zaken wellicht voorheen als bestanddeel opging in het grotere geheel, doet na de splitsing niet meer ter zake.
Vgl. Wichers 2002, p. 320, die stelt dat het uitgangspunt is dat het beperkte recht ook rust op de door splitsing (of afscheiding, zo men wil) ontstane zaken, maar dat de wet uitzonderingen op dit uitgangspunt maakt, zoals bij vruchttrekking. Uiteraard zal het niet altijd eenvoudig zijn te bepalen of sprake is van vruchttrekking. Ingevolge art. 3:9 BW zijn de verkeersopvattingen bepalend voor de vraag wat een vrucht is, zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 77; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 80.
154. Bij roerende zaken die bezwaard zijn met een beperkt recht, kan dezelfde vraag gesteld worden als bij de verticale splitsing van onroerende zaken: wat gebeurt er met het beperkte recht wanneer de zaak fysiek gesplitst wordt? Ik ga uit van gevallen waarin geen sprake is van zaaksvorming, zodat de regeling van art. 5:16 BW niet van toepassing is.1 Ook ga ik ervan uit dat de verkrijger geen aanspraak kan maken op derdenbescherming, op grond waarvan het beperkte recht zou vervallen. De wet zwijgt over deze situatie en ook bestaat hierover geen jurisprudentie.
155. Vanwege de ondeelbaarheid van het pand- en hypotheekrecht, zou bij pand op roerende zaken dezelfde argumentatie gevolgd kunnen worden als zojuist bij verticale splitsing bij het hypotheekrecht is gevolgd. Bovendien is redeneren langs de weg van het prioriteitsbeginsel bij roerende zaken feitelijk niet realistisch: wanneer een gedeelte van een roerende zaak waarop een pandrecht rust, fysiek daarvan wordt losgemaakt, is het niet goed voorstelbaar hoe de pandhouder zou kunnen executeren alsof de splitsing niet had plaatsgevonden, nu de zaak feitelijk in tweeën ligt. Het is dan praktischer om uit te gaan van de route zoals door mij voorgesteld met betrekking tot verticale splitsing van een onroerende zaak belast met hypotheek in de vorige paragraaf. Dat is in lijn met de ondeelbaarheid en het zaaksgevolg en biedt de praktisch hanteerbare oplossing dat op elke zaak een pandrecht rust.
Roerende zaken kunnen niet alleen met pandrecht bezwaard zijn, maar ook met vruchtgebruik, waarbij zich hetzelfde vraagstuk voor kan doen. Voor vruchtgebruik bestaat niet een principe van ondeelbaarheid. Nu heeft het beginsel van ondeelbaarheid, zoals uit paragraaf 5.5.1 bleek, twee kanten: die van de door pand of hypotheek gesecureerde vordering en die van het met pand of hypotheek belaste object. Nu het vruchtgebruik nergens van afhankelijk is, kan de eerste kant van ondeelbaarheid geen rol spelen, maar de tweede kant – waar het in dit proefschrift telkens om gaat – mogelijk wel. In paragraaf 5.5.2 besprak ik dat de erfdienstbaarheid ook ondeelbaar is. Ondeelbaarheid kan dus ook van belang zijn wanneer het beperkte recht niet inhoudt het recht op verhaal (en voorrang daarbij) van een schuld op de zaak, maar ook wanneer een andere prestatie ‘op de zaak drukt’. Bovendien bleek in die paragraaf dat in het Duitse recht de beschränkte persönliche Dienstbarkeit, te vergelijken met onze kwalitatieve verplichting, ook ondeelbaar is.
Ook bij niet-afhankelijke, niet-verhaalsrechten kan de ondeelbaarheid iets toevoegen, en wel precies dát wat we in de vorige paragraaf ten aanzien van hypotheek hebben gezien: een latere beschikking kan geen afbreuk doen aan het recht van de beperkt gerechtigde. Dit zou ook afgeleid kunnen worden uit het zaaksgevolg of de prioriteitsregel. In ieder geval is het duidelijk dat dit uitgangspunt ook moet gelden bij vruchtgebruik op een roerende zaak waarvan een deel wordt afgesplitst. Net als bij pand strookt de uitkomst dat door splitsing twee rechten van vruchtgebruik ontstaan, op iedere nieuwe zaak één, het meest met de feitelijke situatie dat de vruchtgebruiker gerechtigd blijft tot gebruik van beide zaken.2
156. Dezelfde redenering kan gevolgd worden bij partiële cessie van een met pand of vruchtgebruik bezwaarde vordering: wordt de vordering in tweeën gedeeld doordat een gedeelte van de oorspronkelijke vordering aan een derde wordt overgedragen, dan komt het beperkte recht dat op die vordering rustte, op iedere nieuw ontstane vordering afzonderlijk te rusten.3Ook kan gedacht worden aan het geval waarin een vordering is verpand, de schuldenaar overlijdt en de (twee) erfgenamen op grond van art. 6:6 BW hoofdelijk verbonden zijn.4 Aangenomen wordt dat bij hoofdelijke verbondenheid twee afzonderlijke vorderingen bestaan.5 Op elk van deze vorderingen rust nu een afzonderlijk pandrecht.6
157. Wanneer we niet te maken hebben met fysieke splitsing van een roerende zaak waarbij tegelijkertijd een gedeelte van de zaak wordt vervreemd, maar waarbij de splitsing door de eigenaar of beperkt gerechtigde zelf bewerkstelligd wordt, zonder dat de eigendom van een gedeelte wordt overgedragen, hebben we niet te maken met een beschikkingshandeling, maar met een feitelijke handeling, zodat de genoemde principes van prioriteit en zaaksgevolg niet rechtstreeks opgaan. Deze uitgangspunten moeten mijns inziens echter ook in dat geval gehanteerd worden, om tot een redelijke en praktisch hanteerbare oplossing te komen. Ook dan ontstaan dus evenzoveel beperkte rechten als nieuw ontstane roerende zaken, wanneer een met een beperkt recht bezwaarde roerende zaak wordt gesplitst.7
158. De afscheiding van roerende zaken van onroerende zaken vormt een moeilijkheid. Voor Snijders is dit reden om aan te nemen dat bij afscheiding (verlies van hoedanigheid van bestanddeel) een originaire wijze van eigendomsverkrijging plaatsvindt, waarbij onbezwaarde eigendom wordt verkregen. De rechtssituatie van goederen zou anders te onduidelijk worden: “Men mag toch bijv. niet denken aan stapels afgescheiden en toch verhypothekeerde dakpannen.”8 Dat is evident, want hypotheek kan slechts op registergoederen rusten (art. 3:227 BW).9 Erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal kunnen slechts op onroerende zaken rusten. Dat zich bij onroerende zaken daarom de moeilijkheid presenteert dat daarop rustende beperkte rechten (m.u.v. het recht van vruchtgebruik) niet kunnen rusten op de roerende zaken die worden afgescheiden, omdat zij van het verkeerde type zijn, acht ik echter onvoldoende reden om dan ook maar bij splitsing van roerende zaken te concluderen dat op de oorspronkelijke zaak rustende beperkte rechten niet zouden kunnen voortbestaan.
159. Voor de door mij verdedigde opvatting kan het Duitse recht als voorbeeld dienen. Het BGB kent wettelijke bepalingen die op het hier besproken geval zien en die de door mij bepleitte uitkomst hebben. Het gaat om §953 BGB,10 waarin is bepaald dat bestanddelen die van een zaak worden gescheiden ook na de scheiding (Trennung) nog aan de eigenaar van de zaak toebehoren. Voorts is van belang §1212 BGB,11 waaruit wordt afgeleid dat het pandrecht voortbestaat op de bestanddelen die van de zaak gescheiden worden. De heersende leer is dat deze uitkomst geldt voor alle beperkte rechten.12 Ook naar Duits recht betreft het hier na splitsing twee beperkte rechten, niet één beperkt recht.13
160. Ook Suijling lijkt in zijn Zakenrecht van deze uitkomst uit te gaan. Ten eerste stelt hij dat er bij splitsing van een zaak twee nieuwe zaken ontstaan, maar dat daarbij geen nieuwe eigendomsrechten ontstaan.
“Om practische redenen verwerpt ons recht de voorstelling, dat de splitsing van een zaak rechten doet ondergaan en nieuwe oorspronkelijke rechten doet verkrijgen. De eigendom van de ongedeelde zaak wordt geacht in den eigendom van de deelen voort te leven. Het ééne eigendomsrecht valt eenvoudig in een aantal eigendomsrechten uiteen.”14 Vervolgens trekt hij een parallel met vruchttrekking, waarbij de vruchtgebruiker de bloot eigendom van de vrucht verkrijgt, die volgens hem overgaat in volle eigendom, omdat de vrucht vóór haar afscheiding was bezwaard met vruchtgebruik. “In den vollen eigendom van de afgescheiden vrucht, die op het oogenblik der afscheiding uit het samentreffen van blooten eigendom en vruchtgebruik in den persoon van den vruchtgebruiker ontstaat, leven de bloote eigendom van den eigenaar der moederzaak en het vruchtgebruik van den vruchtgebruiker der moederzaak voort. Ondanks het verschil in de personen van de gerechtigden en den aard hunner rechten, heeft de afscheiding dus geen materieele verandering gebracht in de rechten, die op de onafgescheiden vrucht rustten.”15 Daarna bespreekt hij nog een voorbeeld waaruit blijkt dat naar zijn mening een pandrecht op een effect voortbestaat op de afgescheiden burgerlijke vruchten van dat effect. Hoewel deze voorbeelden zien op het bijzondere geval van vruchttrekking (dat tegenwoordig gezien wordt als een originaire wijze van eigendomsverkrijging en waarbij beperkte rechten op de moederzaak dus niet voortbestaan op de vrucht na afscheiding daarvan),16 leid ik uit het voorgaande af dat Suijling niet alleen van mening is dat het eigendomsrecht in een aantal eigendomsrechten uiteen valt bij splitsing van de roerende zaak, maar dat dat ook geldt voor de beperkte rechten op die zaak.
161. Naast Suijling, heeft Spath uitgebreid aandacht aan dit vraagstuk besteed. Zij komt tot een iets andere uitkomst. Ze maakt een onderscheid tussen afscheiding en splitsing van roerende zaken. Bij afscheiding wordt slechts een bestanddeel van de hoofdzaak afgescheiden. De oorspronkelijke zaak blijft hetzelfde, alleen is hij in omvang afgenomen. Het afgescheiden bestanddeel vormt een nieuwe zaak. Bij splitsing gaat de oorspronkelijke zaak teniet en ontstaan twee nieuwe zaken. In beide situaties is volgens Spath sprake van originaire eigendomsverkrijging van de nieuwe zaken.17
Over de vraag wat de gevolgen hiervan zijn voor beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaak rustten, schrijft zij het volgende:
“Indien de heersende leer met betrekking tot art. 5:14 BW [dat bij natrekking in de zin van art. 5:14 lid 2 BW een onbezwaard recht ontstaat, VT] op dit [door splitsing of afscheiding nieuw verkregen, VT] recht wordt toegepast, komen beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaak rustten, niet op de afgescheiden of gesplitste nieuwe zaken te rusten. Aanknoping bij de oorspronkelijke eigendom en de benadering dat de verkregen rechten gebaseerd zijn op de oorspronkelijke rechten, laten echter de mogelijkheid open dat de verkregen nieuwe rechten niet onbezwaard zijn […].”18
Spath acht dus twee oplossingen mogelijk, en kiest daar niet uit. Overigens zal haar uitkomst sinds het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 inzake Glencore/curatoren Zalco wellicht uitsluitend de tweede oplossing zijn, omdat de heersende leer dat art. 5:14 lid 2 BW leidt tot het ontstaan van een onbezwaard recht met dit arrest is achterhaald.19
De uitkomst dat bij splitsing van een roerende zaak het beperkte recht tenietgaat, lijkt mij hoogst onwenselijk.20 Zo zou bijvoorbeeld de pandgever door zijn zaak een moment van elkaar af te scheiden en daarna weer samen te voegen, het pandrecht dat op de zaak rustte, teniet kunnen laten gaan.21 Bovendien zie ik niet in waarom door splitsing van een roerende zaak, de daarop rustende beperkte rechten voor een gedeelte of geheel tenietgaan. Ik zou, zoals gezegd, liever ervan uitgaan dat een latere beschikking geen afbreuk kan doen aan het recht van de beperkt gerechtigde.
In een eerdere publicatie verdedigt Spath dat bij afscheiding de beperkte rechten op de oorspronkelijke zaak blijven rusten en dat het afgescheiden bestanddeel onbelast is. Bij splitsing acht zij het wel mogelijk dat de beperkte rechten in stand blijven.22 Naar mijn mening is het omslachtig en onwenselijk om een onderscheid te maken tussen afscheiden en splitsing en daarbij tot verschillende resultaten te komen. Natuurlijk begrijp ik wel waarom Spath het onderscheid tussen afscheiding en splitsing maakt. Bij afscheiding bestaat de oorspronkelijke zaak voort als dezelfde zaak, terwijl dat bij splitsing niet meer gezegd kan worden. In die zin is de uitkomst dat bij afscheiding in ieder geval de oorspronkelijke zaak belast moet blijven met daarop rustende beperkte rechten, evident.23
162. Mijns inziens zou de grens echter niet bij splitsing en afscheiding getrokken moeten worden, maar moeten deze gevallen hetzelfde worden behandeld, zoals ik hierboven deed. Het beperkte recht dat rustte op de oorspronkelijke zaak, wordt dan gesplitst en bestaat voort op de door splitsing ontstane nieuwe zaken, in die zin dat twee zaken ontstaan, met daarop twee afzonderlijke beperkte rechten. De grens ligt bij vruchttrekking, waarbij de vruchten wél onbezwaard worden verkregen.24
Naar mijn mening is dat een duidelijk en zinvol onderscheid. Bij vruchttrekking gaat het immers om vruchtdragende goederen, die na het afscheiden van de vrucht ongewijzigd voortbestaan en doorgaans in de toekomst weer vruchten kunnen afscheiden. De pandhouder ziet door de afscheiding van vruchten het object van zijn pandrecht in de regel dus niet verminderen of verslechteren. Bij vruchtgebruik geldt hetzelfde, maar ingevolge het vruchtgebruik heeft de vruchtgebruiker ook nog eens recht op de vruchten, waardoor dit een minder heldere vergelijking is. In de situatie van splitsing (of, in de lijn van Spath, bij zowel splitsing als afscheiding) zou echter het object van het recht van de pandhouder en vruchtgebruiker afnemen, indien we niet zouden aannemen dat ook op het afgesplitste gedeelte het beperkte recht zou rusten. Dit is ook het geval in de situaties die betiteld worden als afscheiding, waarbij ‘slechts’ een bestanddeel wordt losgemaakt. De hoofdzaak is dan nog steeds dezelfde zaak, maar nu ontbreekt er wel een (wellicht belangrijk) bestanddeel.
163. Over de vraag wat er gebeurt indien een met een beperkt recht bezwaarde roerende zaak of vordering wordt gesplitst, kan, zo is gebleken, verschillend worden gedacht. Van belang is in ieder geval te constateren dat in de literatuur door niemand wordt verdedigd dat – indien het beperkte recht na splitsing voortbestaat op beide ontstane zaken of vorderingen – daardoor één beperkt recht op twee of meer nieuw ontstane objecten zou ontstaan.