Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.6.2.3
5.6.2.3 Winstverdeling en managementfee
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383129:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Huizink 2014, p. 20-21 en Tervoort 2015, p. 109.
Huizink 2014, p. 45 en Tervoort 2015, p. 109.
Zoals Mohr & Meijers opmerken, is bij het opstellen van deze bepaling waarschijnlijk uitgegaan van een maatschap bestaande uit twee personen. Mohr & Meijers 2013, p. 54.
Zie bijvoorbeeld Huizink 2014, p. 46, Mohr & Meijers 2013 p. 57, Tervoort 2016, p. 168.
Keijzer 2014.
Van Solinge 1995, p. 21.
Tervoort 2016, p. 168 en Keijzer 2014.
Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 69.
HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0401, NJ 1992/174 (Nimox) en HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3045, JOR 2004/67 (Reinders/Didam). Zie hierover specifiek ten aanzien van de coöperatie Galle 2010.
Asser/Maijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 107.
Het laatste kenmerk van de maatschap dat volgt uit artikel 7A:1655 BW is dat de vennoten het oogmerk moeten hebben om het met de (in de vorige paragraaf besproken element) inbreng behaalde voordeel met elkaar te delen. Het dient in dit kader te gaan om economisch voordeel; rechtstreekse toename van het vermogen dient niet per definitie beoogd te zijn. Ook kostenbesparing (door bijvoorbeeld het gezamenlijk huren van een pand of inhuren van een receptioniste) kan derhalve worden aangemerkt als voordeel in de zin van artikel 7A:1655 BW.1
De maten maken (in de maatschapsovereenkomst) bij het aangaan van de maatschap vaak afspraken over het boekjaar van de maatschap en door wie en wanneer de balans wordt opgemaakt ten aanzien van de gemaakte winsten en verliezen. Meestal gebeurt dit jaarlijks. Als er winst wordt gemaakt, kan dit worden uitgekeerd aan de maten; wanneer er verliezen zijn, dienen de maten deze aan te zuiveren. Zowel de winsten als de verliezen kunnen uiteraard toegerekend worden aan het maatschapsvermogen (‘in de maatschap blijven’), als de maten dat (in een bepaald jaar) verstandiger vinden.2 De wet bevat voor de personenvennootschappen geen bepalingen omtrent de vaststelling van het jaarresultaat. Het verdient daarom aanbeveling om hierover afspraken te maken in de vennootschapsovereenkomst.
De wettelijke regeling omtrent de winst- en verliesdeling is uiterst summier en kent naast een aantal bepalingen van regelend recht (waar de vennoten dus van kunnen afwijken in de maatschapsovereenkomst) ook een aantal dwingendrechtelijke bepalingen. Op grond van artikel 7A:1676 BW geldt dat, tenzij de maten in de maatschapsovereenkomst anders zijn overeengekomen, het aandeel van iedere vennoot in de winsten en verliezen evenredig is aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebracht. Als een vennoot alleen arbeid heeft ingebracht, geldt dat zijn aandeel in de winsten en verliezen gelijk is aan dat van de vennoot die het minst heeft ingebracht (artikel7A:1676 lid 2 BW). Wanneer alle maten slechts arbeid hebben ingebracht, zijn zij voor gelijke delen gerechtigd tot de winsten en de verliezen.
Elk van de vennoten moet een aandeel in de winst toekomen. Het voordeel dient (zoals ook blijkt uit de omschrijving van de maatschap in artikel 7A:1655 BW) gemeenschappelijk te zijn. Dit uitgangspunt volgt, zoals Mohr & Meijers terecht stellen, wat ongelukkig uit artikel 7A:1672 lid 1 BW.
Dwingendrechtelijk regelt deze wettelijke bepaling dat het beding dat een van de vennoten alle winst krijgt, nietig is. Er mag geen sprake zijn van een zogenoemde societas leonina: uit de aard van de maatschap volgt dat niet slechts ‘de sterkste’ vennoot recht mag hebben op de winst, maar dat alle vennoten daartoe gerechtigd zijn.3
Binnen deze grenzen, kunnen over de omvang van ieders aandeel in die winst wel afspraken worden gemaakt. Daarnaast verbiedt de wet niet dat slechts een van de vennoten alle verliezen voor zijn rekening neemt (artikel 7A:1672 lid 2 BW).
Het antwoord op de vraag wie er bevoegd is tot het toedelen van de winst en de verliezen, volgt ook indirect uit de wet. Uitgangspunt is ook hier dat de vennoten gezamenlijk bepalen wie recht heeft op welk aandeel in de winst. De vennoten kunnen namelijk niet afspreken dat slechts een van hen daartoe bevoegd is (artikel 7A:1671 BW). Ook kan deze bevoegdheid niet aan een derde (niet zijnde vennoot van de maatschap) worden toegewezen. Op beide regels (en ook op de winst- en verliesregeling in het algemeen, maar zover er sprake is van regelend recht, worden er uiteraard minder problemen ervaren) bestaat in de literatuur kritiek. Ze worden als erg ouderwets en star ervaren.4
Voor zowel de BV als de NV (artikel 2:92/201 BW) geldt allereerst dat – voor zover de statuten niet anders bepalen – aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen toekomen. Dit geldt ook voor dividenduitkeringen: houders van gewone aandelen hebben recht op een redelijk dividend. Voor de BV geldt daarnaast dat het – sinds de invoering van de Wet Flex-BV – mogelijk is om statutair te voorzien in de uitgifte van winstrechtloze aandelen (artikel 2:216 lid 7 BW). Aan houders van winstrechtloze aandelen komt het recht op een redelijk dividend uit de aard der zaak niet toe. Met de introductie van deze mogelijkheid heeft de wetgever afstand genomen van de regel uit artikel 2:216 lid 8 BW (oud). Op basis van dit artikel gold dat – net als dat nu nog steeds het geval is voor de maatschap (alsmede de NV (artikel 2:105 lid 9 BW)) – geen van de aandeelhouders mocht worden uitsloten van de winst van de vennootschap.5 Bij schending van deze bepaling was de BV vatbaar voor ontbinding.6 Op dit vlak wordt de maatschap (en ook de NV) qua inrichtingsvrijheid dus ingehaald door de BV.7
Voor een bespreking van de regels omtrent het doen van uitkeringen aan aandeelhouders van de BV en de NV wordt verwezen naar hoofdstuk 3, paragraaf 3.4.3.4. Vanwege het (meer) externe karakter van deze regelingen hoort een bespreking ervan niet in dit hoofdstuk (over de interne verhoudingen) thuis.
De coöperatie kan en mag, anders dan de gewone vereniging, de door haar behaalde winst aan de leden uitkeren of reserveren. Hierover zal een regeling moeten zijn opgenomen in de statuten. In de statuten dient ook te worden bepaald welk orgaan van de coöperatie beslist over het (al dan niet) uitkeren van winst. Wanneer de statuten hieromtrent geen bepalingen bevatten, komt de bevoegdheid toe aan de algemene ledenvergadering (artikel 2:40 lid 1 BW).8 Voor de coöperatie geldt geen kapitaalbeschermingsregeling zoals de BV en de NV die kennen. Het uitkeren van winst is bij de coöperatie derhalve niet onderhevig aan wettelijke voorwaarden of beperkingen. Zoals reeds in hoofdstuk 3 aan de orde kwam, betekent dit echter niet dat er onbegrensd uitgekeerd kan worden. Onder bijzondere omstandigheden kan het doen van uitkeringen immers onrechtmatig zijn jegens derden, bijvoorbeeld in het geval dat de coöperatie na uitkering aan haar leden niet meer kan voldoen aan haar (opeisbare) verplichtingen jegens derden.9
Vanwege hun rechtspersoonlijkheid geldt voor alle rechtspersonen dat de personen die betrokken zijn bij de rechtsvorm (in beginsel) niet aansprakelijk zijn voor verliezen (of schulden) van de rechtspersoon. Dat is de rechtspersoon, zoals gezegd, (in beginsel) zelf.10 Aandeelhouders van een kapitaalvennootschap kunnen nooit meer verliezen dan hun inbreng op de aandelen en voor leden van de coöperatie geldt ook dat zij slechts hun inbreng in het samenwerkingsverband kunnen kwijtraken. Voor een bespreking van de uitzonderingen op deze hoofdregel wordt (wederom) verwezen naar hoofdstuk 3, paragrafen 3.4.3.4 en 3.4.3.5.
De managementfee
Zoals in hoofdstuk 4 al kort aan de orde kwam, maken beroepsbeoefenaren die samenwerken in een rechtspersoon en aan dit samenwerkingsverband deelnemen vanuit een praktijkvennootschap, om met name fiscale redenen, dikwijls gebruik van een zogenoemde managementfee (om te delen in de winst). Op basis van een contractuele afspraak tussen het samenwerkingsverband en de praktijkvennootschap van de individuele beroepsbeoefenaar, factureert deze praktijkvennootschap aan het samenwerkingsverband voor de door de beroepsbeoefenaar verleende diensten (inhoudende het beschikbaar stellen van de beroepsbeoefenaar tegen een bepaalde fee). De beroepsbeoefenaar laat zich vervolgens door zijn praktijkvennootschap (waarbij hij in dienst is) een gebruikelijk loon uitbetalen (en ‘pot’ eventuele overige inkomsten ‘op’ in de vennootschap). In veel gevallen is een dergelijke managementfee (wederom om fiscale redenen) winst-gerelateerd. De praktijkvennootschap stuurt in dit geval een voorschotnota naar het samenwerkingsverband en – nadat de omvang van de winst duidelijk is geworden – jaarlijks (ook) een eindfactuur waarin de gerechtigdheid tot de winst van de beroepsbeoefenaar wordt meegerekend. Groot voordeel van deze constructie is dat het bijvoorbeeld mogelijk is om te werken met een (contractuele) ingroeiregeling (voor nieuwe vennoten) waarbij de winstgerechtigheid van jaar tot jaar kan worden overeengekomen.