Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.4.2.4:5.4.2.4 Vestiging van een beperkt recht
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.4.2.4
5.4.2.4 Vestiging van een beperkt recht
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420628:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 april 1999, nr. 34 016, BNB 1999/350.
HR 9 september 1992, nr. 27 897, V-N 1992/2866.
HvJ EG 8 februari 1990, nr. C-320/88, BNB 1990/271 (SAFE).
Hierover in algemene zin: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/10, nr. 36 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij zijn arrest van 28 april 19991 oordeelt de Hoge Raad dat sprake is van een algemeenheid van goederen in de situatie dat een woningcorporatie een tienjarig recht van erfpacht vestigt met betrekking tot een groot aantal huurwoningen ten behoeve van een door haar opgerichte stichting. Hieruit is af te leiden dat de vestiging van een beperkt recht (op onroerende zaken) kan gelden als een ‘overgang’ in de zin van artikel 37d Wet OB 1968. Het gaat hier over het ter beschikking stellen van de rechten en plichten die voortvloeien uit een aantal huurovereenkomsten. Van belang hierbij is dat de vestiging van een recht van erfpacht op grond van artikel 3 lid 2 Wet OB 1968 in het betreffende tijdvak onverkort gelijk werd gesteld aan een levering van een onroerende zaak.
In 1992 oordeelt de Hoge Raad in een zaak met betrekking tot de overdracht van een agrarisch bedrijf.2 Onderdeel van het bedrijf van de overdrager is een stuk land van 80 ha. Dit stuk grond werd door de overdrager aan een derde verkocht die het vervolgens verpacht aan de verkrijger van de rest van het agrarisch bedrijf. Hoewel de Hoge Raad niet specifiek op dit element ingaat, is de verpachting kennelijk niet voldoende om te oordelen dat met betrekking tot die grond geen sprake kan zijn van de overgang van een onderneming. Op andere gronden wordt de zaak evenwel terugverwezen (te weten de vraag of voldoende samenhang bestond tussen de zaken die de overdracht vormden).
Ik leid uit deze zaken niet af dat iedere vestiging van een beperkt recht op een zelfstandig te exploiteren vermogensbestanddeel kan worden aangemerkt als een overgang of overdracht van een algemeenheid van goederen. Onder specifieke omstandigheden kan dit wel. Ik neem aan dat hiervoor in ieder geval vereist is dat de verkrijger als gevolg van de ‘overgang’ door middel van de vestiging van een beperkt recht als eigenaar moet kunnen beschikken over het vermogensbestanddeel en hiervan het genot kan ondervinden. Feitelijk dient dus sprake te zijn van een levering voor btw-doeleinden.3 Hiervan zal in de regel sprake zijn bij een erfpacht, op basis van artikel 3 lid 2 Wet OB 1968, of eventueel bij vruchtgebruik, maar niet bij de vestiging van een recht van pand of hypotheek.4