Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/192
192 Het vereiste voor beslag op toekomstige vorderingen
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26623:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1337.
Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 159.
Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 157.
HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338 m.nt. A. van Hees, NJ 2006, 14 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2004/68 m.nt. A.W. Jongbloed (Van den Bergh/Van der Walle en ABN AMRO). Vgl. ook Verdaas 2005a.
Vgl. Verdaas 2002a, p. 35-36.
Vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 156-159 en Verdaas 2002a, p. 36.
Zie HR 7 juni 1929, NJ 1929, p. 1285 e.v. m.nt. PS (Giro-arrest), Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 155 en 158, Mijnssen 1995, p. 68-70 en Rank 1996, p. 227-229.
Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 155. Zo ook Van Mierlo 2005 (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 475 Rv, aant. 6. Zie voor wat betreft de jurisprudentie van de Hoge Raad bijvoorbeeld HR 25 februari 1932, NJ 1932, p. 301 e.v. m.nt. PS (Loonbeslag-arrest) en HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172 m.nt. HJS (Van Berkel/Tribosa).
Het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ is door de wetgever ontleend aan art. 475 Rv.1 In dit artikel begrenst dit vereiste de mogelijkheid om toekomstige vorderingen te beslaan. Uit de wetsgeschiedenis van art. 475 Rv blijkt dat dit vereiste beperkt moet worden uitgelegd, om de reden dat de wetgever beslag op toekomstige goederen slechts zeer beperkt mogelijk heeft willen maken.2 Uitsluitend beslag op toekomstige vorderingen is in beperkte mate mogelijk.
De motivering van de wetgever voor de beperkte mogelijkheid om toekomstige goederen te beslaan, is dat beslag op toekomstige goederen voor de schuldenaar zeer ingrijpende gevolgen heeft. Zou zo een beslag onbeperkt mogelijk zijn, dan zou door het leggen van beslag de bedrijfsvoering van een schuldenaar voor onbepaalde tijd worden belemmerd of zelfs onmogelijk gemaakt. Zo een beslag, gelegd wegens het onbetaald laten van een wellicht op goede gronden betwiste vordering, zou in weinig verschillen van een faillissementsbeslag en snel tot het faillissement van een schuldenaar kunnen leiden. Deze mogelijkheid heeft de wetgever niet willen creëren.3 Voor de Hoge Raad was een en ander een reden om beslag op toekomstige vorderingen op een bank uit een met die bank gesloten kredietovereenkomst af te wijzen.4
Gelet op deze bedoeling van de wetgever moet het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ van art. 475 Rv beperkt worden uitgelegd.5 Geheel duidelijk is het vereiste overigens niet. Duidelijk is wel dat een toekomstige vordering niet reeds vatbaar is voor derdenbeslag indien er een rechtsverhouding tussen de beslagdebiteur en de derde bestaat die mede de aanleiding kan zijn voor het ontstaan van de vordering. Een rol lijkt te spelen of voor het ontstaan van de vordering nog een nadere rechtshandeling moet worden verricht, maar doorslaggevend is ook dit criterium niet.6
Voor beslag vatbaar zijn bijvoorbeeld niet vorderingen van een rekeninghouder op zijn bank die hij na beslaglegging verkrijgt als gevolg van een rechtshandeling die leidt tot creditering van zijn rekening, zoals een aan de bank gegeven betalingsopdracht door de rekeninghouder of door een derde. Voor beslag vatbaar is bijvoorbeeld wel een vordering op een opdrachtnemer, zoals een advocaat of notaris, die ontstaat doordat een derde aan de opdrachtnemer betaalt nadat het beslag onder de opdrachtnemer is gelegd.7
Toekomstige vorderingen uit overeenkomsten die, zolang zij voortduren, zonder nadere rechtshandelingen tot bepaalde toekomstige betalingen verplichten, bijvoorbeeld arbeids- en huurovereenkomsten, zijn wel rechtstreeks uit een bestaande rechtsverhouding voortvloeiende vorderingen in de zin van art. 475 lid 1 Rv. Dergelijke vorderingen zijn vatbaar voor beslag.8 Dat dergelijke vorderingen mogelijk niet ontstaan doordat bijvoorbeeld het huurgenot niet wordt verschaft of de arbeid niet wordt verricht, doet niets af aan de mogelijkheid om deze vorderingen te beslaan. Zou dit anders zijn dan zou beslag op toekomstige vorderingen onmogelijk zijn: de onzekerheid ten aanzien van het ontstaan van de vorderingen is inherent aan het toekomstige karakter ervan.