Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:262 BW:Exceptio non adimpleti contractus
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:262 BW
Exceptio non adimpleti contractus
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. E.J. Bellaart, actueel t/m 22-12-2025
Actueel t/m
22-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. E.J. Bellaart
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:262 BW
In dit artikel is de opschortingsbevoegdheid geregeld voor partijen bij een wederkerige overeenkomst als bedoeld in art. 6:261 BW. Deze opschortingsbevoegdheid wordt wel de exceptio non adimpleti contractus (hierna: de enac) genoemd.
In een procedure zal het steeds de schuldenaar zijn die zich op de enac beroept, doorgaans tegenover een vordering van de wederpartij tot nakoming of tegenover een door de wederpartij uit hoofde van tekortkoming ingestelde vordering tot ontbinding of schadevergoeding, het laatste mede in verband met art. 6:59 BW (schuldeisersverzuim). Daarmee voert de schuldenaar een bevrijdend verweer.1 Dit brengt mee dat de schuldenaar de stelplicht en bewijslast heeft ten aanzien van de vereisten om het opschortingsrecht uit te oefenen. De wederpartij kan de feitelijke grondslag betwisten van deze vereisten, maar kan ook bevrijdende verweren voeren.2 Deze laatste komen hieronder aan bod onder het kopje āfeiten die aan opschorting in de weg staanā.
Vereisten voor opschorting
De enac is van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Echter ook indien geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, is de enac in bepaalde gevallen van toepassing.3 Hoewel de toepasselijkheid van de enac goeddeels de beantwoording van een rechtsvraag betreft, die zich niet leent voor het leveren van bewijs, zal de schuldenaar zo nodig relevante feiten en omstandigheden dienen te stellen en te bewijzen waaruit volgt dat de enac van toepassing is.
De enac kan alleen worden ingeroepen als de wederpartij als eerste moet presteren of als partijen gelijk moeten oversteken.4 In het laatste geval mag degene opschorten bij wiens wederpartij de nakoming als eerste stokt.5 Voorts is vereist dat de wederpartij van de schuldenaar haar verbintenis niet nakomt en dat de schuldenaar een opeisbare vordering heeft op zijn wederpartij.6 De stelplicht en de bewijslast van dit alles rusten op de schuldenaar. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de opschortingsbevoegdheid van de schuldenaar niet is vereist dat zijn wederpartij in verzuim verkeert of wanprestatie heeft gepleegd, zodat de schuldenaar hierover dan ook geen stelplicht heeft in het kader van zijn beroep op de enac.
Een volgend vereiste is dat de niet-nagekomen verbintenis van de schuldeiser tegenover de op te schorten verplichting van de schuldenaar staat. Dit nauwe verband is niet steeds aanwezig tussen alle wederzijdse prestaties die uit een wederkerige overeenkomst voortvloeien.7 Zo staat bijvoorbeeld de verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding wel, maar de verplichting tot betaling van aanvullende schadevergoeding niet ātegenoverā de verplichting van de wederpartij.8 Om te beoordelen of sprake is van tegenover elkaar staande verplichtingen, dient men na te gaan of de schuldenaar zich in beginsel door gehele of gedeeltelijke ontbinding kan bevrijden van zijn (op te schorten) verbintenis, indien de niet-nakoming door zijn wederpartij een definitief karakter gaat dragen. Het bijzondere (sterkere) karakter van de enac wordt namelijk gerechtvaardigd doordat de schuldenaar tevens de overeenkomst kan ontbinden. Een beroep op de enac is derhalve op haar plaats als er vervolgens ook kan worden ontbonden op grond van de desbetreffende tekortkoming.9 Het ligt op de weg van de schuldenaar om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit nauwe verband volgt, en voor zover die feiten en omstandigheden door de schuldeiser gemotiveerd worden betwist, ook om ze te bewijzen.
Intussen betekent het ontbreken van het door art. 6:262 BW vereiste nauwe verband niet steeds dat het opschortingsverweer van de schuldenaar door de rechter moet worden gepasseerd. Voorstelbaar is dat, hoewel art. 6:262 BW voor het verweer geen deugdelijke grondslag biedt, het algemene opschortingsrecht van art. 6:52 BW dit wel doet. Art. 6:52 BW vereist niet meer dan dat tussen vordering en op te schorten verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.10 Indien het partijdebat aan de hand van art. 6:262 BW is gevoerd, zal de rechter dus mogelijk ambtshalve de rechtsgronden moeten aanvullen (art. 25 Rv), althans kan hij ambtshalve aanleiding zien de grondslag van het verweer met partijen te bespreken (art. 24 lid 2 Rv).
Feiten die aan opschorting in de weg staan
De schuldeiser die wordt geconfronteerd met een beroep op opschorting kan, naast het betwisten van de feitelijke grondslag van dat opschortingsberoep, verschillende verweren voeren. Daarbij kan gedacht worden aan meer algemene verweren, zoals misbruik van bevoegdheid, het tijdsverloop, rechtsverwerking, opzettelijk ongeoorloofd gedrag door de schuldenaar en schuldeisersverzuim aan de zijde van de schuldenaar.11 De stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden hierover zullen op de schuldeiser rusten, die zich immers op de rechtsgevolgen van deze verweren zal beroepen.
Indien de schuldeiser, in reactie op een opschortingsverweer van de schuldenaar, zich erop beroept dat hij zijn verplichtingen reeds is nagekomen, rusten de stelplicht en de bewijslast daarvan op de schuldeiser.12 In het geval de schuldenaar aan zijn opschortingsverweer ten grondslag legt dat de prestatie van de schuldeiser ondeugdelijk was en hij daarom een opeisbare vordering op de schuldeiser heeft, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit de juistheid van dat standpunt volgt, op de schuldenaar.13
De schuldeiser en de schuldenaar dienen zich in het kader van de enac jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en de billijkheid. Voor zover de schuldeiser zich er bij wege van bevrijdend verweer op beroept dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich beroept op de enac, rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden waarop de schuldeiser zich in dat kader beroept, in beginsel op hem.
De enac kan, anders dan bij opschorting op grond van art. 6:52 BW, in beginsel niet ontkracht worden door zekerheidstelling (zie art. 6:264 BW). Volgens Parl. Gesch. Boek 6, p. 199 en p. 215 kan de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de enac vervalt wanneer voldoende zekerheid wordt geboden.14 De stelplicht en de bewijslast van dit bevrijdend verweer rusten dus op de schuldeiser.
Een volgende kwestie waarbij de redelijkheid en billijkheid een rol spelen, betreft de beantwoording van de vraag of er op de schuldenaar die zich op de enac beroept, een mededelingsplicht rust. De Hoge Raad heeft hierover overwogen dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een schuldenaar die de nakoming van zijn verbintenis opschort vanwege een niet-nakoming van zijn schuldeiser, de schuldeiser kenbaar maakt dat hij zijn prestatie opschort. Dat strookt met de regel dat een beroep op een opschortingsrecht voor het eerst in een gerechtelijke procedure kan worden gedaan, ook indien de schuldenaar daarop vóór de procedure geen beroep had gedaan (HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199). Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn schuldeiser heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.15 De stelplicht en de bewijslast hieromtrent rusten op de schuldeiser, die zich erop zal beroepen dat er een mededelingsplicht bestond. Indien de schuldeiser hierin slaagt en er dus een mededelingsplicht op de schuldenaar rust, is de vervolgvraag op welke partij de stelplicht en bewijslast rusten dat aan die plicht is voldaan. Hierover kan verschillend worden gedacht.16Mijns inziens rusten de stelplicht en bewijslast hiervan āĀ in lijn met de bewijslastverdeling inzake de klachtplicht (art. 6:89 BW)Ā ā op de schuldenaar.17
De Hoge Raad heeft evenwel in een huurverhouding een strenge regel geformuleerd inhoudende dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de huurder in beginsel niet bevoegd is tot opschorting (of ontbinding) op grond van gebreken in het gehuurde, zolang hij de verhuurder niet van de gebreken op de hoogte heeft gesteld, hetgeen slechts anders is indien de huurder stelt en bewijst dat de verhuurder reeds in voldoende mate met de gebreken bekend was om tot het nemen van maatregelen over te kunnen gaan.18 Wolters heeft opgemerkt dat bij andere rechtsverhoudingen dan huur niet een āin-beginsel-mededelingsplicht-tenzijā wordt aangenomen.19 Een en ander betekent dat in een huurverhouding de stelplicht en de bewijslast zijn omgekeerd, in die zin dat op de huurder/schuldenaar de stelplicht en de bewijslast rusten dat de mededelingsplicht niet geldt dan wel dat hij aan die plicht heeft voldaan. Deze stelplicht zal mijns inziens overigens pas actueel worden, als de verhuurder heeft aangevoerd dat de huurder deze mededelingsplicht heeft verzaakt.20
Opschorting gerechtvaardigd bij gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming? (lid 2)
Indien de schuldeiser zijn verplichtingen in het geheel niet nakomt, is de schuldenaar ingevolge lid 1 in beginsel gerechtigd zijn prestatie eveneens in het geheel op te schorten. Lid 2 bepaalt dat indien de schuldeiser slechts gedeeltelijk of niet behoorlijk nakomt, de schuldenaar zijn verplichting slechts mag opschorten voor zover de tekortkoming opschorting rechtvaardigt. Dit betreft een uit de redelijkheid en billijkheid volgende proportionaliteit. De grens ligt daar, waar de opschorting disproportioneel wordt. Dit is geen nauwkeurige toets: een min of meer ruime marge is toelaatbaar.21
Dat sprake is van (niet meer dan) gedeeltelijke niet-nakoming of niet behoorlijke nakoming, zodat lid 2 toepassing vindt, zal veelal uit de eigen stellingen van de schuldenaar voortvloeien. Is dat anders, dan zal dienaangaande op de schuldeiser de stelplicht en bewijslast rusten zoals volgt uit de wettekst (āIn geval vanā¦ā) in verband met de hoofdregel van art. 150 Rv. Uit de tekst van de wet (āvoor zoverā¦ā) kan verder worden afgeleid dat op de schuldenaar die zich beroept op de enac, vervolgens de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat opschorting proportioneel is. Hoewel de beoordeling van de proportionaliteit goeddeels een rechterlijke waardering behelst die zich minder goed leent voor het leveren van bewijs, zal de opschortende schuldenaar voldoende feiten en omstandigheden dienen te stellen omtrent de opeisbaarheid en omvang van de vordering op de schuldeiser alsmede de omvang en de ernst van de niet-nakoming door de schuldeiser.22
Tot slot zij opgemerkt dat art. 6:262 BW van regelend recht is.23 De partij die zich erop beroept dat er een van deze wettelijke regeling afwijkende afspraak is gemaakt, draagt de stelplicht en de bewijslast dienaangaande, conform de hoofdregel van art. 150 Rv.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:262 BW
Exceptio non adimpleti contractus
mr. E.J. Bellaart, actueel t/m 22-12-2025
22-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. E.J. Bellaart
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:262 BW
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
wederkerige overeenkomst
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 262
Opschorting (lid 1)
Inleiding
In dit artikel is de opschortingsbevoegdheid geregeld voor partijen bij een wederkerige overeenkomst als bedoeld in art. 6:261 BW. Deze opschortingsbevoegdheid wordt wel de exceptio non adimpleti contractus (hierna: de enac) genoemd.
In een procedure zal het steeds de schuldenaar zijn die zich op de enac beroept, doorgaans tegenover een vordering van de wederpartij tot nakoming of tegenover een door de wederpartij uit hoofde van tekortkoming ingestelde vordering tot ontbinding of schadevergoeding, het laatste mede in verband met art. 6:59 BW (schuldeisersverzuim). Daarmee voert de schuldenaar een bevrijdend verweer.1 Dit brengt mee dat de schuldenaar de stelplicht en bewijslast heeft ten aanzien van de vereisten om het opschortingsrecht uit te oefenen. De wederpartij kan de feitelijke grondslag betwisten van deze vereisten, maar kan ook bevrijdende verweren voeren.2 Deze laatste komen hieronder aan bod onder het kopje āfeiten die aan opschorting in de weg staanā.
Vereisten voor opschorting
De enac is van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Echter ook indien geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, is de enac in bepaalde gevallen van toepassing.3 Hoewel de toepasselijkheid van de enac goeddeels de beantwoording van een rechtsvraag betreft, die zich niet leent voor het leveren van bewijs, zal de schuldenaar zo nodig relevante feiten en omstandigheden dienen te stellen en te bewijzen waaruit volgt dat de enac van toepassing is.
De enac kan alleen worden ingeroepen als de wederpartij als eerste moet presteren of als partijen gelijk moeten oversteken.4 In het laatste geval mag degene opschorten bij wiens wederpartij de nakoming als eerste stokt.5 Voorts is vereist dat de wederpartij van de schuldenaar haar verbintenis niet nakomt en dat de schuldenaar een opeisbare vordering heeft op zijn wederpartij.6 De stelplicht en de bewijslast van dit alles rusten op de schuldenaar. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de opschortingsbevoegdheid van de schuldenaar niet is vereist dat zijn wederpartij in verzuim verkeert of wanprestatie heeft gepleegd, zodat de schuldenaar hierover dan ook geen stelplicht heeft in het kader van zijn beroep op de enac.
Een volgend vereiste is dat de niet-nagekomen verbintenis van de schuldeiser tegenover de op te schorten verplichting van de schuldenaar staat. Dit nauwe verband is niet steeds aanwezig tussen alle wederzijdse prestaties die uit een wederkerige overeenkomst voortvloeien.7 Zo staat bijvoorbeeld de verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding wel, maar de verplichting tot betaling van aanvullende schadevergoeding niet ātegenoverā de verplichting van de wederpartij.8 Om te beoordelen of sprake is van tegenover elkaar staande verplichtingen, dient men na te gaan of de schuldenaar zich in beginsel door gehele of gedeeltelijke ontbinding kan bevrijden van zijn (op te schorten) verbintenis, indien de niet-nakoming door zijn wederpartij een definitief karakter gaat dragen. Het bijzondere (sterkere) karakter van de enac wordt namelijk gerechtvaardigd doordat de schuldenaar tevens de overeenkomst kan ontbinden. Een beroep op de enac is derhalve op haar plaats als er vervolgens ook kan worden ontbonden op grond van de desbetreffende tekortkoming.9 Het ligt op de weg van de schuldenaar om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit nauwe verband volgt, en voor zover die feiten en omstandigheden door de schuldeiser gemotiveerd worden betwist, ook om ze te bewijzen.
Intussen betekent het ontbreken van het door art. 6:262 BW vereiste nauwe verband niet steeds dat het opschortingsverweer van de schuldenaar door de rechter moet worden gepasseerd. Voorstelbaar is dat, hoewel art. 6:262 BW voor het verweer geen deugdelijke grondslag biedt, het algemene opschortingsrecht van art. 6:52 BW dit wel doet. Art. 6:52 BW vereist niet meer dan dat tussen vordering en op te schorten verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.10 Indien het partijdebat aan de hand van art. 6:262 BW is gevoerd, zal de rechter dus mogelijk ambtshalve de rechtsgronden moeten aanvullen (art. 25 Rv), althans kan hij ambtshalve aanleiding zien de grondslag van het verweer met partijen te bespreken (art. 24 lid 2 Rv).
Feiten die aan opschorting in de weg staan
De schuldeiser die wordt geconfronteerd met een beroep op opschorting kan, naast het betwisten van de feitelijke grondslag van dat opschortingsberoep, verschillende verweren voeren. Daarbij kan gedacht worden aan meer algemene verweren, zoals misbruik van bevoegdheid, het tijdsverloop, rechtsverwerking, opzettelijk ongeoorloofd gedrag door de schuldenaar en schuldeisersverzuim aan de zijde van de schuldenaar.11 De stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden hierover zullen op de schuldeiser rusten, die zich immers op de rechtsgevolgen van deze verweren zal beroepen.
Indien de schuldeiser, in reactie op een opschortingsverweer van de schuldenaar, zich erop beroept dat hij zijn verplichtingen reeds is nagekomen, rusten de stelplicht en de bewijslast daarvan op de schuldeiser.12 In het geval de schuldenaar aan zijn opschortingsverweer ten grondslag legt dat de prestatie van de schuldeiser ondeugdelijk was en hij daarom een opeisbare vordering op de schuldeiser heeft, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit de juistheid van dat standpunt volgt, op de schuldenaar.13
De schuldeiser en de schuldenaar dienen zich in het kader van de enac jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en de billijkheid. Voor zover de schuldeiser zich er bij wege van bevrijdend verweer op beroept dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich beroept op de enac, rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden waarop de schuldeiser zich in dat kader beroept, in beginsel op hem.
De enac kan, anders dan bij opschorting op grond van art. 6:52 BW, in beginsel niet ontkracht worden door zekerheidstelling (zie art. 6:264 BW). Volgens Parl. Gesch. Boek 6, p. 199 en p. 215 kan de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de enac vervalt wanneer voldoende zekerheid wordt geboden.14 De stelplicht en de bewijslast van dit bevrijdend verweer rusten dus op de schuldeiser.
Een volgende kwestie waarbij de redelijkheid en billijkheid een rol spelen, betreft de beantwoording van de vraag of er op de schuldenaar die zich op de enac beroept, een mededelingsplicht rust. De Hoge Raad heeft hierover overwogen dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een schuldenaar die de nakoming van zijn verbintenis opschort vanwege een niet-nakoming van zijn schuldeiser, de schuldeiser kenbaar maakt dat hij zijn prestatie opschort. Dat strookt met de regel dat een beroep op een opschortingsrecht voor het eerst in een gerechtelijke procedure kan worden gedaan, ook indien de schuldenaar daarop vóór de procedure geen beroep had gedaan (HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199). Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn schuldeiser heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.15 De stelplicht en de bewijslast hieromtrent rusten op de schuldeiser, die zich erop zal beroepen dat er een mededelingsplicht bestond. Indien de schuldeiser hierin slaagt en er dus een mededelingsplicht op de schuldenaar rust, is de vervolgvraag op welke partij de stelplicht en bewijslast rusten dat aan die plicht is voldaan. Hierover kan verschillend worden gedacht.16Mijns inziens rusten de stelplicht en bewijslast hiervan āĀ in lijn met de bewijslastverdeling inzake de klachtplicht (art. 6:89 BW)Ā ā op de schuldenaar.17
De Hoge Raad heeft evenwel in een huurverhouding een strenge regel geformuleerd inhoudende dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de huurder in beginsel niet bevoegd is tot opschorting (of ontbinding) op grond van gebreken in het gehuurde, zolang hij de verhuurder niet van de gebreken op de hoogte heeft gesteld, hetgeen slechts anders is indien de huurder stelt en bewijst dat de verhuurder reeds in voldoende mate met de gebreken bekend was om tot het nemen van maatregelen over te kunnen gaan.18 Wolters heeft opgemerkt dat bij andere rechtsverhoudingen dan huur niet een āin-beginsel-mededelingsplicht-tenzijā wordt aangenomen.19 Een en ander betekent dat in een huurverhouding de stelplicht en de bewijslast zijn omgekeerd, in die zin dat op de huurder/schuldenaar de stelplicht en de bewijslast rusten dat de mededelingsplicht niet geldt dan wel dat hij aan die plicht heeft voldaan. Deze stelplicht zal mijns inziens overigens pas actueel worden, als de verhuurder heeft aangevoerd dat de huurder deze mededelingsplicht heeft verzaakt.20
Opschorting gerechtvaardigd bij gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming? (lid 2)
Indien de schuldeiser zijn verplichtingen in het geheel niet nakomt, is de schuldenaar ingevolge lid 1 in beginsel gerechtigd zijn prestatie eveneens in het geheel op te schorten. Lid 2 bepaalt dat indien de schuldeiser slechts gedeeltelijk of niet behoorlijk nakomt, de schuldenaar zijn verplichting slechts mag opschorten voor zover de tekortkoming opschorting rechtvaardigt. Dit betreft een uit de redelijkheid en billijkheid volgende proportionaliteit. De grens ligt daar, waar de opschorting disproportioneel wordt. Dit is geen nauwkeurige toets: een min of meer ruime marge is toelaatbaar.21
Dat sprake is van (niet meer dan) gedeeltelijke niet-nakoming of niet behoorlijke nakoming, zodat lid 2 toepassing vindt, zal veelal uit de eigen stellingen van de schuldenaar voortvloeien. Is dat anders, dan zal dienaangaande op de schuldeiser de stelplicht en bewijslast rusten zoals volgt uit de wettekst (āIn geval vanā¦ā) in verband met de hoofdregel van art. 150 Rv. Uit de tekst van de wet (āvoor zoverā¦ā) kan verder worden afgeleid dat op de schuldenaar die zich beroept op de enac, vervolgens de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat opschorting proportioneel is. Hoewel de beoordeling van de proportionaliteit goeddeels een rechterlijke waardering behelst die zich minder goed leent voor het leveren van bewijs, zal de opschortende schuldenaar voldoende feiten en omstandigheden dienen te stellen omtrent de opeisbaarheid en omvang van de vordering op de schuldeiser alsmede de omvang en de ernst van de niet-nakoming door de schuldeiser.22
Tot slot zij opgemerkt dat art. 6:262 BW van regelend recht is.23 De partij die zich erop beroept dat er een van deze wettelijke regeling afwijkende afspraak is gemaakt, draagt de stelplicht en de bewijslast dienaangaande, conform de hoofdregel van art. 150 Rv.
Voetnoten
1.
A.C. van Schaick, āOpschortingsrecht en mededelingsplichtā, NTBR 2009/17.
2.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22.
3.
De wet bevat te dienaangaande vier schakelbepalingen, te weten art. 6:213 lid 2, art. 6:216, art. 6:261 lid 2 en art. 6:279 lid 1 BW. Zie Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58) 2011/22; Asser/Sieburgh 6-III 2022/713 en 714.
4.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 994.
5.
Olthof, T&C BW, art. 6:262 BW, aant. 2 onder b.
6.
Vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50 m.nt. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), rov. 4.6, welk arrest betrekking heeft op art. 6:52 BW. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22.
7.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 994.
8.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/47; Asser/Hijma 7-I 2024/567. Zie voor een voorbeeld van tegenover elkaar staande verplichtingen in het arbeidsrecht: HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723, NJ 2020/168, rov. 3.2.1, en voor een voorbeeld in het huurrecht: HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:389, NJ 2025/221, rov. 3.1.2.
9.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/46. Zie hierover ook: Olthof, in:T&C BW, art. 6:262 BW, aant. 2 onder c en Asser/Hijma 7-I 2024/567.
10.
Zie met betrekking tot de bewijslastverdeling Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:52 BW.
11.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/51 en 58 tot en met 62.
12.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 995; Asser/Hijma 7-I 2024/563; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22.
13.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22; Olthof, T&C BW, art. 6:262 BW, aant. 3 onder c.
14.
Zie ook: Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/54.
15.
HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088, NJ 2012/43 m.nt. Hijma (Van Mierlo/OGP). Zie daarover: Stolp, āDe kenbaarheid van de opschortingā, MvV 2011, p. 153-160 en Boeve, Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.2 en 5.3. Zie voorts (bijvoorbeeld) Hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9904, rov. 2.7 en Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10138, rov. 5.6 en 5.7.
16.
Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:52 BW.
17.
Zie Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW.
18.
HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2389, NJ 1998/128 (Van Bommel/Ruijgrok).
19.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/56.
20.
Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496m.nt. Hijma, rov. 3.6en HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163 m.nt. Asser, rov. 5.6.3.
21.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57.
22.
Zie de noot van Stolp en Wefers Bettink voor Rb. Rotterdam 8 mei 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW5386, Computerrecht 2013/10, onderdeel 21. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22.
23.
Klomp, GS Verbintenissenrecht, art. 6:262 BW, aant. 14.