Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.3
3.3 Vertrouwen op de aanwezigheid van een rechtshandeling
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS686056:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Spierings 2016, p. 11-13.
Zie hierover uitgebreid Spierings 2016, par. 10.1, par. 10.4 en Asser/Sieburgh 6-III 2018/101-104. Die aansluiting bij overeenkomsten geldt alleen voor gerichte toezeggingen. In dit onderzoek is sprake van dergelijke gerichte toezeggingen van de overheid. Bij ongerichte rechtshandelingen kan een beroep op vertrouwensbescherming hoogstens worden gebaseerd op art. 3:36 BW, nu anderen ten opzichte van die handeling slechts de positie van derden innemen.
Dit licht ik toe in par. 4.3. Er zijn vele andere soorten eenzijdige rechtshandelingen. Zie uitgebreid Spierings 2016.
Vgl. Spierings 2016, p. 370-373. De eenzijdige rechtshandeling van dit onderzoek (een eenzijdige, gerichte toezegging) moet dus worden onderscheiden van feitelijk handelen (inlichting) en van meerzijdige rechtshandelingen (bevoegdhedenovereenkomst).
Vgl. Kortmann 2018, p. 122, die een onderscheid maakt tussen een belofte die van het begin af aan onverbindend is en een verbindende belofte die op grond van omstandigheden ex nunc niet tot nakoming kan leiden.
Sieburgh wijst bijvoorbeeld ook op handelingsbekwaamheid, de leer der wilsgebreken en de vorm: Asser/Sieburgh 6-III 2018/106. De jurisprudentie toont aan dat problemen bij gewekt vertrouwen bij de rechtshandelingen van dit onderzoek vooral samenhangen met de wilsvertrouwensleer en bevoegdheidsverdeling.
Het civiele recht maakt een onderscheid tussen rechtshandelingen (handelingen die beogen rechtsgevolg te scheppen) en feitelijke handelingen (handelingen waarbij dat oogmerk ontbreekt). Dit onderscheid is gelet op de hierna uiteen te zetten toepasselijke regels van belang. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de scheidslijn tussen een rechtshandeling en feitelijke handeling niet altijd gemakkelijk aan te wijzen is.1
In het algemeen is voor de kwalificatie van rechtshandeling van belang of de handeling automatisch rechtsgevolgen heeft als beoogd gevolg van de wilsuiting van één partij.2 De bestanddelen van een rechtshandeling zijn de wil om een rechtsgevolg te doen intreden en een verklaring waarmee die wil wordt geopenbaard.
Een rechtshandeling kan meerzijdig zijn, zoals een overeenkomst. Een rechtshandeling kan ook eenzijdig zijn. Dit is het geval als het rechtsgevolg intreedt door de al dan niet tot een wederpartij gerichte wilsuiting van één persoon. Een gerichte eenzijdige rechtshandeling heeft op grond van artikel 3:37 lid 3 BW werking als de verklaring de persoon tot wij zij is gericht, heeft bereikt. De instemming van de ander is niet vereist.
Dat onderscheid tussen rechtshandelingen en feitelijke handelingen keert niet terug in het bestuursrecht, dat draait om de bestuursrechtelijke rechtshandeling van het besluit maar waarin weinig aandacht wordt besteed aan de kwalificatie van handelingen die daarmee samenhangen.
Voor de uitlatingen van dit onderzoek geldt dat zowel bevoegdhedenovereenkomsten als eenzijdige toezeggingen moeten worden aangemerkt als een rechtshandeling. De bevoegdhedenovereenkomst is civiel-rechtelijk bezien een klassieke meerzijdige rechtshandeling (een overeenkomst), terwijl de toezegging van dit onderzoek eenzijdig en gericht3 is op een concrete situatie en daarom op grond van artikel 3:33 en artikel 3:35 BW kan worden gekwalificeerd als eenzijdige verbintenisscheppende rechtshandeling.4 De eenzijdige, gerichte overheidstoezegging van dit onderzoek is vormvrij.5 Ik behandel de bevoegdhedenovereenkomst en toezegging en in het bijzonder de (nakomings)verplichtingen die daaruit voortvloeien gezamenlijk.
Om succesvol een civiele vordering in te kunnen stellen tot nakoming dan wel schadevergoeding, is het voor een burger nodig dat sprake is van een rechtsgeldige rechtshandeling, te weten een bevoegdhedenovereenkomst of een eenzijdige, gerichte, toezegging van de overheid.
Aan een succesvolle vordering kan in de weg staan dat iets ‘mis’ is gegaan in de totstandkomingsfase, in welk geval een rechtshandeling ex tunc onverbindend is als wel dat achteraf omstandigheden optreden die aan nakoming in de weg staan.6 Voor de totstandkoming van een geldige rechtshandeling zijn voor dit onderzoek van belang de bevoegdheid van de persoon die de rechtshandeling namens een overheidslichaam aangaat en de wilsvertrouwensleer (de wil moet zijn gericht op het aangaan van een rechtshandeling).7
3.3.1 Vertegenwoordiging3.3.2 De wilsvertrouwensleer van artikel 3:33 en 3:35 BW