Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/4.3.2.1
4.3.2.1 Onderneming geen object van goederenrechtelijke rechten
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS455636:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1027.
Paragraaf 2.3.2.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74-76; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318; Assink 2013 e.a., p. 2358; Fesevur 2005, p. 30-31; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; Reehuis 2010, nr. 9; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59; Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83, aant. 10.3.9 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2012). Vgl. over de algemeenheid van goederen en een aandeel daarin Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:240, aant. 9 (online, laatst bijgewerkt op 30 oktober 2013). Vgl. Russel 1918, p. 88 e.v.
Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 35 e.v. Zie paragraaf 4.3.3, 4.4.1.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 606; Assink e.a. 2013, p. 53, 2356-2358; Hartkamp 2005, nr. 46; Huizingh 2010; Van der Steur 2003, p. 203; Wessels 1989, p. 24-25; Wessels & Meijer 2009, p. 89-91.
Op grond van fiscale motieven kan bijvoorbeeld de rechtsvorm van een eenmanszaak de voorkeur verdienen, zie Doornebal, Cursus Belastingrecht, IB.3.2.33.B.c (online, laatst bijgewerkt op 10 maart 2014).
Bijvoorbeeld in het kader van een doorstart, zie Santen & De Bos 2008, p. 1 en Janssen & Versteeg 2008, p. 135, alhoewel daarvan gezegd zou kunnen worden dat niet de gehele onderneming wordt overgedragen, zie Grapperhaus 2008, p. 101. Zie voorts: Assink e.a. 2013, p. 2358-2359; Notenboom 2011, p. 211-212; Slagter 2011, p. 84.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 604; Assink e.a. 2013, p. 2315, 2322, 2346, 2356-2358, 2362; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 453-457; Raaijmakers & Van der Sangen, GS Rechtspersonen, art. 2:309 BW, aant. 3 (online, laatst bijgewerkt op 1 februari 2007); Slagter 2011, p. 84; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59; Verburgt 2014; Wessels & Meijer 2009, p. 89. Vgl. Damkot & Neuteboom 2010; Van Gasteren 2010. Zie voor het Duitse recht Grädler 2012, p. 99.
Wederom afgezien van de mogelijkheid om via een aandelenoverdracht of een juridische fusie een vergelijkbaar resultaat te bewerkstelligen, zie Baur & Stürner 2009, p. 371; Beisel & Klumpp 2009, nr. 4.6, 6.30, 6.77; Grädler 2012, p. 99; Schmidt 2014, p. 166, 170.
Beisel & Klumpp 2009, nr. 4.23; Enneccerus/Nipperdey 1959, p. 841, 851; Grädler 2012, p. 98-99, 158, 170-172; Schmidt 2014, p. 163 e.v. Vgl. Baur & Stürner 2009, p. 370; MünchKommBGB/Stresemann 2012 §90 nr. 42, 45; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §90 nr. 72-73. Zie ook Isay 1910, die erkent dat één recht op alle goederen binnen de onderneming naar Duits recht onmogelijk is (p. 22-23, 138, 188), maar wel een recht op de onderneming (gelijkend op goodwill) erkent (p. 26-27, 30).
Zie paragraaf 2.3.3.
Zie bijvoorbeeld Verstappen 2002 en de visie van Raaijmakers in paragraaf 4.3.3.
79. Nu de algemeenheid van goederen uit het Ontwerp-Meijers en het registerpand op de onderneming uit het regeringsontwerp niet zijn ingevoerd, is de onderneming in het Nederlandse recht geen object van goederenrechtelijke rechten. Weliswaar heeft de minister na het schrappen van de regeling van de algemeenheid van goederen uit het Ontwerp-Burgerlijk Wetboek opgemerkt dat het de praktijk vrij blijft om bij verdere ontwikkelingen van dit begrip gebruik te blijven maken, bijvoorbeeld in het kader van de eenmanszaak,1 maar dit lijkt geen aanvaarding van de algemeenheid van goederen als mogelijk rechtsobject te zijn geweest. Zoals gezegd2 was de algemeenheid van goederen óók onder de voorziene regeling uit het Ontwerp-Burgerlijk Wetboek geen rechtsobject.
Tegenwoordig wordt algemeen aanvaard dat de onderneming geen object is van goederenrechtelijke rechten.3 Raaijmakers vormt hierop in zekere zin een uitzondering; op zijn standpunt kom ik nog terug.4 De rechten op de onderneming voldoen dus aan het uniciteitsbeginsel: de onderneming is niet één rechtsobject als zodanig, maar bestaat uit meerdere objecten. Men kan ook niet, zoals in het Franse recht, beschikken over het goed onderneming (of in het Franse recht, handelszaak, fonds de commerce) als zodanig. Wil men de onderneming overdragen, dan zullen de goederen die tot de onderneming behoren moeten worden overgedragen (en indien gewenst ook de contracten en schulden door middel van contracts- en schuldoverneming): een ‘activa-passivatransactie’.5 Hetzelfde geldt wanneer men de onderneming wil verpanden; het gaat dan in wezen om verpanding van de afzonderlijke goederen.
80. Uiteraard kan deze gang van zaken voorkomen worden door de onderneming in een BV (of NV) onder te brengen en de aandelen daarin over te dragen of te verpanden. Economisch wordt dan hetzelfde bereikt. Niet in alle gevallen zal men echter een onderneming in een BV in willen brengen.6 Bovendien gaan bij een aandelenoverdracht geen goederen over van het ene vermogen naar het andere: de (indirecte) zeggenschap in de BV wijzigt weliswaar, maar nog steeds dezelfde BV is rechthebbende van de goederen. Juridisch betreft het daarom een ander geval en ook praktisch kunnen er redenen bestaan waarom men een onderneming van de ene aan de andere (rechts)persoon over wenst te dragen.7 Voor juridische fusie (art. 2:309 BW) geldt, mutatis mutandis, hetzelfde.8 Deze wijzen van overdracht en verpanding van een onderneming blijven in het navolgende dan ook buiten beschouwing.
81. Bij overdracht of verpanding van een onderneming, verkrijgt men in het Nederlands recht – goederenrechtelijk bezien – in wezen dus rechten op de afzonderlijke goederen binnen de onderneming. Er wordt voldaan aan het uniciteitsbeginsel. Hiermee houdt verband dat, zoals ik zojuist besprak, men niet kan beschikken over de onderneming als geheel; er is niet één bijzondere leverings- of vestigingshandeling waarmee de onderneming als geheel overgedragen of verpand zou kunnen worden. Voor elk afzonderlijk goed moet aan de vereisten van overdracht of vestiging zijn voldaan en de vereisten verschillen per type goed.
In het Duitse recht is dat niet anders. De onderneming (das Unternehmen) is geen rechtsobject en op de onderneming kunnen geen goederenrechtelijke rechten bestaan. Wil men een onderneming van de ene (rechts) persoon aan de andere overdragen of bezwaren met een beperkt recht, dan moet elk goed binnen de onderneming afzonderlijk worden overgedragen of bezwaard.9 Dat volgt uit het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsprinzip).10
82. Dat goederen afzonderlijk overgedragen en bezwaard dienen te worden, staat strikt genomen los van de vraag naar uniciteit.11 Het is denkbaar dat vereist wordt dat de goederen binnen een onderneming afzonderlijk overgedragen worden, maar dat dat resulteert in een goederenrechtelijk recht op de onderneming als geheel – en vice versa. Uniciteit (dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten) gaat over het bestaan van goederenrechtelijke rechten, het resultaat van een beschikkingshandeling, en moet onderscheiden worden van die beschikkingshandeling (het overdragen, het verpanden) zelf. Niettemin gaat het bij beschikkingshandelingen om beschikken over een(recht op een)goed en zullen het bestaan van het recht en het beschikken daarover met elkaar in de pas lopen, wil men een werkbaar en goed te volgen systeem hebben.
Hoewel het strikt genomen dus losstaat van het uniciteitsbeginsel, wil ik toch stilstaan bij het beschikken over de onderneming. Praktisch gezien wordt de vraag naar uniciteit vooral in dat kader interessant; wat zijn de handelingen die moeten worden verricht om (goederenrechtelijk) iets te kunnen met een onderneming als geheel? Dat is ook het kader waarbinnen de discussie over de onderneming als rechtsobject werd en wordt gevoerd.12 Duidelijk is dat in het Nederlandse en Duitse recht er geen recht is op de onderneming dat als zodanig overgedragen of verpand kan worden. Maar in hoeverre is het mogelijk om over al die afzonderlijke goederenrechtelijke rechten (diverse roerende zaken, vorderingen, etc. bij elkaar) tegelijk, in één klap, te beschikken? Kan een vergelijkbaar resultaat als in het Franse recht behaald worden? Kortom, met welke vereisten moet rekening gehouden worden bij het overdragen of verpanden van een onderneming?