Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.5.3.3
6.5.3.3 Finaliteit
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416993:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 8 februari 2007, nr. C-435/05, BNB 2007/308, r.o. 36 en 37 (Investrand), en de nuancering hiervan in HvJ EU 21 januari 2013, nr. C-104/12, V-N 2013/17.18, r.o. 31 (Wolfram Becker).
HvJ 26 mei 2005, nr. C-465/03, BNB 2005/313 (Kretztechnik).
HvJ EG 14 februari 1985, nr. 268/83, BNB 1985/315 (Rompelman).
Dennis Ramsdahl Jensen en Henrik Stensgaard, ‘The Distinction between Direct and General Costs with Regard to the Deduction of Input VAT – the Case of Acquisition, Holding and Sale of Shares’, World Tax Journal February 2012, maken onderscheid tussen een ‘functional link’ om directe kosten vast te stellen en een ‘economical link’ om algemene kosten vast te stellen. De ‘functional link’ behelst met name de vraag naar de specifieke belastbare handeling in een later stadium waarvan de uitgave onderdeel is van de kostprijs. Daarmee lijkt de ‘functional link’ sterk op de verdisconteringstoets. De ‘economical link’ betreft de vraag of algemene kosten bestaan en is in die zin te vergelijken met mijn invulling van de causaliteitstoets.
Hiervoor kwamen reeds de verdisconteringstoets en de causaliteit aan de orde als instrumenten om te beoordelen in hoeverre een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen gemaakte kosten en belastbare handelingen in een later stadium. Naar mijn idee speelt de (vooronderstelde) verdiscontering met name een rol in het bepalen van de aanwezigheid van directe kosten. Nogmaals merk ik hierbij op dat die verdiscontering een veronderstelling vormt die voortvloeit uit het feitelijk gebruik. Aftrek is geen algebra. De causaliteit speelt een rol om vast te stellen of een aftrekrecht bestaat, en in die zin voor het bepalen van de aanwezigheid van algemene kosten. Deze causaliteit moet bovendien ruim worden bezien. Het geeft steeds een antwoord op de vraag of kosten hun oorzaak vinden in de economische activiteit. Feitelijk geeft het daarmee antwoord op de vraag of kosten worden gemaakt door een als zodanig handelende belastingplichtige. De in dit verband relevante vraag is steeds: zijn de kosten gemaakt in de context van de economische activiteit?1
De derde toets die door Van Doesum en Van Kesteren wordt onderkend, de finaliteitstoets, speelt naar mijn idee alleen een feitelijke rol in het onderbouwen of zichtbaar maken van de vooronderstelde verdiscontering of de causaliteit. Zo blijkt uit de drijfveren van Kretztechnik om een aandelenuitgifte te doen dat de daarvoor gemaakte kosten hun oorzaak vinden in de bedrijfsactiviteit.2 Het oogmerk van Rompelman is voldoende om vast te stellen dat de gemaakte kosten hun oorzaak vinden in de voorgenomen bedrijfsactiviteit.3 Abbey National I maakt kosten met het oog op de verkoop van een bedrijfsonderdeel, waardoor deze kosten niet rechtstreeks en uitsluitend aan (bijvoorbeeld) een verzekeringsprestatie zijn toe te rekenen. Finaliteit speelt daarmee vooral een rol om vast te stellen waarvoor ingekochte goederen en diensten daadwerkelijk zijn of zullen worden gebruikt en of een verband bestaat met de algehele bedrijfsactiviteit. Finaliteit speelt daarmee met name een instrumentele rol, terwijl het causaliteitscriterium en het verdisconteringscriterium een meer principiële rol spelen.4