Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.4.2
7.4.2 Terugwerkende kracht van bekrachtiging
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483100:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/664.
Zie met mij Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/625, 660.
Bekrachtiging van een rechtshandeling kan zoals reeds uitgelegd op drie manieren geschieden: door een handeling van partijen zelf, een handeling van een derde of door een bloot rechtsfeit. Voorafgaand aan dit citaat gaf Meijers een voorbeeld waarbij de bekrachtiging plaatsvond door een handeling.
TM, PG Boek 3, p. 248.
Hijma erkent dat het gebruik van de term ‘convalescentie’ niet aansluit bij de terminologie in ontwerpartikel 3.2.20, maar zoekt hierbij naar eigen zeggen aansluiting bij de Duitse doctrine en de opvatting hierover van Schoordijk (H.F.C. Schoordijk, Vermogensrecht in het algemeen, Deventer: Kluwer 1986, p. 190, 337) en een dissertatie van Berkhouwer (C. Berkhouwer, Conversie van nietige rechtshandelingen (diss. Amsterdam UvA), Hoorn: West Friesland 1946). Zie: J. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, Deventer: Kluwer 1988, p. 375.
J. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, Deventer: Kluwer 1988, p. 374.
Zie in navolging van Hijma: G.H. Potjewijd, Bekrachtiging en convalescentie: over de toepassing van art. 3:58 BW bij beschikkingen over andermans goed, Kluwer: Deventer 2002, p. 91, 89; W.J. Zwalve, ‘Bekrachtiging en convalescentie van nietige rechtshandelingen’, in: Bekrachtiging en aanverwante rechtsfiguren (preadvies KNB 2003), Lelystad: Koninklijke Vermande, p. 52; J.A.J. Peter, Levering van roerende zaken, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2007, p. 211.
Zie bevestigend: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/664,
Zie over de fictie van de terugwerkende kracht en verschillende rechtstoepassingen: A.S. Hartkamp, ‘Terugwerkende kracht’, WPNR 1991/6030, waarin hij stelt dat terugwerkende kracht niet valt te bekritiseren indien zij een bepaalde toestand waarop door partijen en derden vertrouwd is, bestendigt.
Zie: A.S. Hartkamp, ‘Terugwerkende kracht’, WPNR 1991/6030; A.S. Hartkamp, Compendium vermogensrecht voor de rechtspraktijk, Deventer: Kluwer 2005, p. 17; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/664.
Zie: HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:3460, waaruit het niet expliciet blijkt, maar mede in bevestigende zin: G.H. Potjewijd, ‘Bekrachtiging en convalescentie van een mislukte verpanding’, NTBR 2015/28.
Zie tevens W. Snijders, ‘Bekrachtiging en aanverwante rechtsfiguren’, WPNR 2003/6547. Deze opvatting wordt tevens ondersteund door Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/661.
TM, PG Boek 3, p. 278. Zie in bevestigende zin: Rb. Amsterdam 15 juli 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ1951.
Volgens Potjewijd wordt algemeen aangenomen dat terugwerkende kracht verbonden is aan het intreden van de rechtsgevolgen van bekrachtiging. Zie: G.H. Potjewijd, ‘Bekrachtiging en convalescentie van een mislukte verpanding’, NTBR 2015/28. Hij verwijst hierbij naar: G.H. Potjewijd, Bekrachtiging en convalescentie: over de toepassing van art. 3:58 BW bij beschikkingen over andermans goed, Kluwer: Deventer 2002, nr. 28. Zie ook: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/664.
In de literatuur wordt gediscussieerd over de vraag of bekrachtiging terugwerkende kracht heeft.1 Dit is mijns inziens opvallend. Hetgeen Van Schaick aanneemt voor de terugwerkende kracht van verjaring, namelijk dat terugwerkende kracht aan verkrijgende verjaring ‘inherent is’, deel ik niet, maar is naar mijn mening wél van toepassing op bekrachtiging. Indien bekrachtiging immers geen terugwerkende kracht heeft, maakt het niet uit of partijen waarbij de vervreemder beschikkingsonbevoegd was, gewoon opnieuw overdragen of kiezen voor bekrachtiging. Het verschil met de gehele overdracht opnieuw laten plaats vinden of bekrachtigen ligt nu juist in het feit dat bekrachtiging wél terugwerkende kracht heeft, terwijl opnieuw overdragen ex nunc werkt.2 De terugwerkende kracht van bekrachtiging blijkt mijns inziens ook expliciet uit de Toelichting Meijers:
“Dit artikel opent de mogelijkheid, dat het gebrek wordt geheeld doordat alsnog het vereiste wordt vervuld. Daartoe is echter nodig, dat alle onmiddellijk belanghebbenden, die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen, handelingsbekwaam zijn en in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt. In dat geval wordt de handeling bekrachtigd.”
(…)
“Door deze tweede handeling3 wordt de oorspronkelijke rechtshandeling bekrachtigd, d.w.z. zij wordt geacht steeds geldig verricht te zijn, hetgeen van belang kan zijn voor de in de tussen de beide momenten door de belanghebbenden reeds verrichte handelingen.”4
Hijma leidt uit het bovenstaande af dat er altijd een handeling nodig is, die leidt tot bekrachtiging en dat dit bij het intreden van een bloot rechtsfeit niet het geval is. Hij maakt hierbij een onderscheid tussen bekrachtiging en convalescentie. Bekrachtiging ziet dan op het intreden van beschikkingsbevoegdheid door een wilsverklaring afkomstig van degene die bevoegd is om het vereiste te vervullen, terwijl convalescentie5 inhoudt dat de beschikkingsbevoegdheid intreedt door een bloot rechtsfeit. Aan dit onderscheid wordt tevens een onderscheid ten aanzien van de terugwerkende kracht verbonden, waarbij terugwerkende kracht bij convalescentie uit wordt gesloten. Hijma stelt dat een bloot rechtsfeit ‘geen strekking heeft’.6 Hij stelt: “waar iedere strekking ontbreekt, kan per definitie nimmer van terugwerkende kracht sprake zijn.”7
Deze opvatting deel ik niet. Allereerst omdat ik, zoals hierboven reeds gesteld, meen dat terugwerkende kracht hoort bij de ratio van bekrachtiging. 8 Het is een juridisering van een situatie waarin zowel de partijen als de onmiddellijk belanghebbenden ervan uitgegaan zijn dat de rechtshandeling reeds geldig was verricht. In lijn hiermee is de werking ex tunc.9
Waarom geldt anders voor toepassing van art. 3:58 BW het vereiste dat alle onmiddellijk belanghebbenden de rechtshandeling als geldig hebben aangemerkt? Bij een ex nunc werking is dit moeilijk te verklaren. Terugwerkende kracht is een fictie10, waarmee een bestaande situatie in wezen ‘juridisch gerepareerd’ wordt, juist omdat alle onmiddellijk belanghebbenden er al van uitgingen dat de situatie juridisch was, zoals zij dachten. Dit rechtvaardigt consolidatie ex tunc. Dit lijkt de Hoge Raad ook te bevestigen.11
Daarbij vindt het onderscheid dat Hijma maakt tussen bekrachtiging en convalescentie geen steun in de wet, noch in de Parlementaire Geschiedenis.12
Uit de Toelichting Meijers bij (het huidige) art. 3:69 BW, betreffende de bekrachtiging van een onbevoegde volmacht, staat expliciet dat bekrachtiging terugwerkende kracht heeft.13
Ook uit de Memorie van Antwoord bij het huidige art. 3:58 BW blijkt dit:
“In de eerste plaats kan hier worden genoemd het geval van de levering van een goed op een tijdstip dat de vervreemder nog niet rechthebbende op dat goed is. Verwerft de vervreemder naderhand dat goed alsnog en wordt het aanvankelijk ontbrekende vereiste van zijn beschikkingsonbevoegdheid alsnog vervuld, dan geldt, indien ook overigens aan de vereisten van het onderhavige artikel is voldaan, de aanvankelijk ingevolge artikel 3.4.2.2 lid 1 ongeldige overdracht als bekrachtigd.” (cursivering, PP)
Uit bovenstaande passage blijkt mijns inziens dat de aanvankelijk ongeldige overdracht, door bekrachtiging geldig wordt. Dit wijst er op dat die oudere overdracht door de bekrachtiging geldig wordt (ex tunc) en niet dat de overdracht dan later alsnog geldig wordt (ex nunc).14
Tevens blijkt hieruit de terugwerkende kracht van bekrachtiging, ongeacht op welke wijze een voor de geldigheid van de rechtshandeling gesteld wettelijk vereiste intreedt. Dit is van groot belang voor het voorbeeld dat in dit hoofdstuk centraal staat.