Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.8.4:7.8.4 Hoe eerbiedig je als bezitter een beperkt recht?
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.8.4
7.8.4 Hoe eerbiedig je als bezitter een beperkt recht?
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481906:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.C. van Schaick, Rechtsgevolgen en functies van bezit en houderschap, Deventer: Kluwer 2014, p. 127.
J.B. Spath, Zaaksvervanging, (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2010, p. 191.
MvA II, PG Boek 3, p. 417.
Zie over de vraag welke rechtshandeling precies wordt bekrachtigd bij een uitgebleven eigendomsoverdracht van een roerende zaak: P.A.M. Lokin, ‘Bekrachtiging van een uitgebleven overdracht’, NTBR 2015/7.
Zie hierover nader hoofdstuk 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Reeds meermalen is gesproken van het eerbiedigen van een beperkt recht door een bezitter. Maar op welke wijze kan een bezitter, zonder zijn bezit prijs te geven een beperkt recht eerbiedigen? In de literatuur wordt deze vraag niet expliciet besproken. In het kader van de omvang van hetgeen de bezitter door verjaring verkrijgt, stelt Van Schaick:
“Verjaring is een originaire wijze van eigendomsverkrijging. Zij leidt tot verkrijging van het goed zoals de bezitter het bezat. Als de bezitter een erf bezit dat in zijn beleving is belast met een recht van erfdienstbaarheid, verschaft de verkrijgende verjaring hem de eigendom van dat erf, belast met een recht van erfdienstbaarheid. Als de bezitter een erf bezit dat in zijn beleving vrij is van goederenrechtelijke rechten van derden, wordt hij uiteindelijk eigenaar van een erf dat niet met goederenrechtelijke rechten is belast.”1
Spath stelt in haar dissertatie iets vergelijkbaars:
“Verkrijging door verjaring is dus steeds een verkrijging van een nieuw recht, op grond van het bezit van dit recht. De omvang van het verkregen recht is afhankelijk van de omvang van het bezit en bij toepassing van art. 3:105 BW van de omvang van de op grond van art. 3:306 BW verjaarde rechtsvordering.”2
Bij de vaststelling van bezit gaat het om de uiterlijke feiten en niet om de interne wil van de bezitter. Al zullen deze in veel gevallen overeen komen. De omvang van hetgeen je verkrijgt door verjaring wordt bepaald door de naar uiterlijkheden af te leiden pretentie van het recht van de bezitter. Dit betekent dat de eerbiediging van een beperkt recht naar buiten kenbaar dient te zijn, maar dat de bezitter middels het toelaten van de uitoefening van dit beperkte recht, niet zijn bezit prijs dient te geven.
In de Parlementaire Geschiedenis wordt met algemene bewoordingen gesproken over de eerbiediging van beperkte rechten door de bezitter:
In het ontwerp wordt niet in bijzonderheden behandeld, wat het gevolg is wanneer op het door verjaring of door toepassing van het onderhavige artikel verkregen goed beperkte rechten rusten.
(…)
Heeft derhalve de verkrijger het goed bezeten met eerbiediging van deze rechten, dan blijven deze rechten ondanks zijn verkrijging van het goed voortbestaan.3
Hieruit is af te leiden dat een bezitter (theoretisch) ieder beperkt recht kan eerbiedigen. In de praktijk zal het echter lastig zijn een beperkt recht te eerbiedigen, zonder het bezit prijs te geven. In dit kader is het voorbeeld dat Van Schaick geeft met betrekking tot de eerbiediging van een erfdienstbaarheid wellicht het meest tot de verbeelding sprekend. In ieder geval zal het voor de eerbiediging van een beperkt recht door een bezitter naar buiten kenbaar moeten zijn dat de uitoefening van het beperkte recht niet indruist tegen de pretentie van recht van de bezitter.
Conclusie
De centrale vraag in dit hoofdstuk luidde:
“Kan natrekking in het platte vlak plaatsvinden op grond van verkrijging door verjaring?”
Hiertoe is steeds uitgegaan van de volgende casus:
A heeft een grondstuk in volle eigendom en verkeert in de (onjuiste) veronderstelling dat een strook grond, die hij in bezit heeft, tot zijn eigendom behoort. Deze strook behoort juridisch echter in eigendom toe aan buurman B. Na voltooiing van de verjaring, verkrijgt A de eigendom van de strook grond. A heeft op zijn grondstuk een recht van hypotheek gevestigd.
De vraag is of het recht van hypotheek dat A vestigde voordat hij door verjaring verkreeg, zich mede uitstrekt over hetgeen hij door verjaring verkrijgt. Voor het antwoord op deze vraag is van belang of de verkrijging door verjaring terugwerkende kracht heeft. Met andere woorden of A de eigendom van de strook grond ex nunc verkrijgt, of dat de verkrijging ex tunc werkt. In de literatuur wordt over het algemeen aangenomen dat verkrijging door verjaring terugwerkende kracht heeft. Het belangrijkste argument voor het aannemen van terugwerkende kracht bij verkrijging door verjaring is mijns inziens gelegen in de wenselijkheid dat het hypotheekrecht dat A vestigde zich mede uit gaat strekken over hetgeen hij door verjaring verkreeg. Indien terugwerkende kracht aangenomen wordt ten aanzien van verkrijging door verjaring brengt dit met zich dat A beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de vestiging van het hypotheekrecht op hetgeen hij later door verjaring verkreeg.
Het aannemen van terugwerkende kracht bij verkrijging door verjaring is echter mijns inziens niet in lijn met de Parlementaire Geschiedenis, noch is dit ‘inherent’ aan de ratio van verjaring. Het antwoord op de vraag of verjaring ex nunc of ex tunc werkt is naar mijn mening gelegen in de vraag wat er gebeurt met beperkte rechten die rusten op hetgeen door verjaring verkregen wordt. Uit de Toelichting Meijers blijkt expliciet dat beperkte rechten die door de bezitter geëerbiedigd zijn blijven voortbestaan ondanks de verkrijging door verjaring. Indien verkrijging door verjaring echter terugwerkende kracht zou hebben, zou de voormalig rechthebbende beschikkingsonbevoegd geweest zijn met betrekking tot de vestiging van het beperkte recht. De opvatting dat verkrijging door verjaring ex tunc werkt, is om die reden mijns inziens niet houdbaar.
Toch gaat het hypotheekrecht dat A vestigde op zijn grondstuk mede het door verjaring verkregene omvatten. Niet op grond van de terugwerkende kracht van verjaring, maar op grond van de regels met betrekking tot bekrachtiging. Voor bekrachtiging (art. 3:58 BW) is vereist dat voor het verrichten van een rechtshandeling aanvankelijk een wettelijk vereiste ontbrak. Indien echter alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen de rechtshandeling als geldig hebben aangemerkt, en het wettelijk vereiste alsnog vervuld wordt, wordt de rechtshandeling bekrachtigd. Dit betekent dat indien A door verjaring de eigendom van de strook grond verkrijgt, hij beschikkingsbevoegd wordt ten aanzien van de vestiging van het hypotheekrecht. Hiermee wordt het ontbrekende vereiste vervuld. Ervan uitgaande dat alle onmiddellijk belanghebbenden deze vestiging van het hypotheekrecht als geldig hebben aangemerkt, is hiermee de vestiging bekrachtigd.4
Bekrachtiging heeft (in tegenstelling tot de verkrijging door verjaring) wél terugwerkende kracht. Dit blijkt expliciet uit de Parlementaire Geschiedenis en is inherent aan de ratio van bekrachtiging. Hierdoor gaat het hypotheekrecht met terugwerkende kracht tevens het door verjaring verkregene omvatten. Nu het hypotheekrecht zich op grond van art. 3:227 lid 2 BW uitstrekt over al hetgeen de eigendom omvat, vindt hierdoor met terugwerkende kracht tevens natrekking van het onderliggende (blote) eigendomsrecht van A plaats. Natrekking van het onderliggende grondstuk geschiedt in dezen derhalve doordat de rechtstoestand ten aanzien van het beperkte recht dat erop rust door de bekrachtiging gelijk wordt.5
Dit geldt echter niet alleen voor een recht van hypotheek dat A vestigde op zijn grondstuk, maar eveneens voor andere beperkte rechten die hij vestigde op zijn grond. Hiervoor moet wel voldaan zijn aan de volgende vier vereisten:
Het moet (bloot) eigenaar A zijn, die het bezit had en die door verjaring de eigendom van een;
Aangrenzend;
Stuk grond verkrijgt
Waarvan zowel A als ‘zijn’ beperkt gerechtigde ervan uit zijn gegaan dat het door verjaring verkregene mede bezwaard was met het beperkte recht.
Enkel indien aan deze vier vereisten voldaan wordt, vindt er door de aanwas van het beperkte recht dat A vestigde op zijn grondstuk, natrekking van het onderliggende eigendomsrecht plaats.