Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.3.4
7.3.4 Verhaal van schade na korting van aanspraken
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015,
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602231:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 134 Pw. Er zijn overigens wel voorwaarden gesteld. Het moet gaan om een “uiterste redmiddel” (Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 257).
Art. 105, lid 2, Pw.
Een indicatie van factoren die het pensioenfonds kan meewegen als het niet alle cohorten evenredig wenst te korten, vindt men in: DNB Brief 2013, Bijlage II; Maatman & Van der Graaf 2013b, p. 1021-1022; Thijssen 2013, p. 941; Kok e.a. 2012; Gielink e.a. 2011; Akkermans 2011, p. 10-11. Het pensioenfonds moet er echter voor waken dat een gedifferentieerde korting voor verschillende (leeftijds)cohorten leidt tot een verboden (leeftijds)onderscheid (Heemskerk 2013a, p. 507-508; Jacobs 2007, p. 163).
Geraakt een pensioenfonds in onderdekking, dan kan het de pensioenaanspraken van zijn begunstigden korten.1 Het pensioenfonds hoeft niet alle begunstigden evenredig te korten. Er moet sprake zijn van een evenwichtige belangenafweging.2 Op die grond kan het pensioenfondsbestuur ervoor kiezen om bepaalde cohorten meer of minder te korten.3
7.3.4.1 Oók vordering tot schadevergoeding voor “overige” begunstigden7.3.4.2 Ook korting van begunstigden van een zuivere premieregeling7.3.4.3 De afwikkeling van de vorderingen7.3.4.4 De afwikkeling bij een algemeen pensioenfonds