Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/4.3.5.1
4.3.5.1 Afzonderlijke toepassing
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS415784:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in vergelijkbare zin HR 11 april 2014, nr. 12/01836, BNB 2014/120, onderdeel 3.3.4.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1997/98, 25 709, 5, blz. 15, G.J. van Norden, Het concern in de BTW, Deventer: Kluwer 2007 en blz. 300, M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, blz. 162.
In de Btw-richtlijn is in Titel IV een apart hoofdstuk opgenomen voor de levering van goederen en daarmee samenhangende bepalingen en een afzonderlijk hoofdstuk voor het verrichten van diensten en daarmee samenhangende bepalingen. Uit hoofde van die onderverdeling was er klaarblijkelijk geen plaats voor één artikel waarin de algemeenheid van goederen én diensten kon worden opgenomen. In de Wet OB 1968 is dit ‘opgelost’ door artikel 37d Wet OB 1968 op te nemen in de afdeling ‘bijzondere bepalingen’.
Wanneer een overgang uitsluitend of hoofdzakelijk uit onlichamelijke zaken bestaat, kan daarom sprake zijn van de afzonderlijke toepassing van artikel 29 Btw-richtlijn. In dat geval zal de Unierechtelijke uitleg van een dergelijke overgang vermoedelijk als volgt moeten zijn:
“De overdracht of overgang van een handelszaak of bedrijfsonderdeel, bestaande uit onlichamelijke en eventueel lichamelijke zaken, die tezamen een onderneming vormen, waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.”1
In paragraaf 5.4.4.2 bespreek ik een aantal mogelijke overdrachten van autonome economische activiteiten die geheel of hoofdzakelijk uit onlichamelijke zaken bestaan. In die gevallen kan sprake zijn van de eigenstandige toepassing van artikel 29 Btw-richtlijn.
Ik ben het evenwel eens ben met de opvatting dat artikel 19 en 29 Btw-richtlijn in samenhang dienen te worden gelezen.2 Naar mijn idee heeft het feit dat in de richtlijn twee bepalingen nodig werden geacht om zowel goederen als diensten binnen de reikwijdte van het niet-leveringsbeginsel te brengen met name te maken met de indeling van de richtlijn en niet zozeer met de noodzaak van een strikt onderscheid tussen goederen en diensten in dit verband.3 In die zin kan worden geconcludeerd dat de redactie van artikel 37d Wet OB 1968 beter aansluit bij de inhoud van de rechtsnorm. Een strikt onderscheid tussen goederen en diensten lijkt immers te botsen met de meervoudige, onbepaalde aard van de regeling. Bovendien zal een bedrijfsoverdracht slechts zelden bestaan uit louter lichamelijke, of louter onlichamelijke zaken.