Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.3.2:7.3.2 Verkrijging door verjaring werkt ex nunc
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.3.2
7.3.2 Verkrijging door verjaring werkt ex nunc
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485512:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, PG Boek 3, p. 417.
Zie ook: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/559 en J.B. Spath, Zaaksvervanging (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2010, p. 190-191.
Zie eveneens: Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 348.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening is het antwoord op de vraag of verjaring ex nunc of ex tunc werkt, gelegen in het antwoord op de vraag wat er gebeurt met beperkte rechten die rust(t)en op hetgeen door verjaring verkregen wordt.
Meijers zegt hierover in zijn Toelichting bij het huidige art. 3:105 BW:
“In het ontwerp wordt niet in bijzonderheden behandeld, wat het gevolg is wanneer op het door verjaring of door toepassing van het onderhavige artikel verkregen goed beperkte rechten rusten. De algemene, aan de regeling der verjaring ten grondslag liggende beginselen, geven door de verschillende gevallen, duidelijk de oplossing aan; het onbezwaard zijn kan als een afzonderlijk goed worden verkregen. Heeft derhalve de verkrijger het goed bezeten met eerbiediging van deze rechten, dan blijven deze rechten ondanks zijn verkrijging van het goed voortbestaan. Heeft de verkrijger daarentegen de rechten niet gekend en berust zijn verkrijging op artikel 3.4.3.1 (= art. 3:99 BW, PP), dan verkrijgt de bezitter het goed onbezwaard, wanneer de beperkt gerechtigde tijdens de loop der verjaring geen daad van stuiting heeft verricht. Heeft ten slotte de bezitter het goed verkregen door het teniet gaan van de opeisingsvordering, dan is beslissend of ook de vordering van de tot het beperkte recht gerechtigde is verjaard; is dit niet het geval, dan blijft dit recht bestaan.”1
Uit het bovenstaande blijkt dat de hoofdregel is, dat indien de verkrijger het bezit had van het goed met eerbiediging van een beperkt recht daarop, dit recht blijft voortbestaan, ondanks de verkrijging door verjaring.2
Wat betreft verjaring krachtens art. 3:99 BW blijkt uit het bovenstaande citaat, dat indien de verkrijger de rechten niet heeft gekend, hij het goed onbezwaard verkrijgt wanneer de beperkt gerechtigde gedurende de verjaringstermijn geen daad van stuiting heeft verricht.
Ten aanzien van verkrijging door verjaring krachtens art. 3:105 BW stelt Meijers dat hiervoor beslissend is of ook de vordering van de tot het beperkte recht gerechtigde is verjaard. Mijns inziens duidt dit erop dat verjaring geen terugwerkende kracht heeft. Wanneer verjaring ex tunc werkt zouden de beperkte rechten die door de oorspronkelijk rechthebbende gevestigd zijn (gedurende de verjaringstermijn) immers door een beschikkingsonbevoegde gevestigd zijn, waardoor deze niet tot stand zijn gekomen. Bescherming krachtens art. 3:88 BW gaat in dat geval niet op, nu de beschikkingsonbevoegdheid niet voortvloeit uit een ongeldige eerdere overdracht.
Hoe zit het dan met die andere passage uit de Parlementaire Geschiedenis, waarin gesproken werd over ‘terugwerkende kracht van verjaring’, namelijk:
“Het is ongewenst dat b.v. beperkt gerechtigden die hun recht aan degene die door verjaring verkreeg, ontlenen en na deze verkrijging wegens de terugwerkende kracht van de verjaring (verg. artikel 3.2.20 (het huidige art. 3:58 BW, PP)) voor aanspraken van de oorspronkelijk rechthebbende op het goed veilig zijn, hun recht zouden kunnen verliezen alleen omdat de hoofdgerechtigde vervolgens afstand van de verjaring doet, waarmee zij zelfs niet bekend behoeven te zijn.”
Wat betreft de terugwerkende kracht van verjaring wordt verwezen naar de regeling van bekrachtiging. Wanneer verjaring terugwerkende kracht heeft is deze verwijzing een dode letter. Dit zal ik in het navolgende toelichten. Besproken zal worden dat bovenstaande passage zo gelezen moet worden dat de eigendomsverkrijging door verjaring ex nunc werkt, maar dat toepassing van de bekrachtigingsregel van art. 3:58 BW wel kan leiden tot terugwerkende kracht.3