Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.2.1.1
3.2.1.1 De herkomst van de verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484305:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
MO, PG Boek 3, p. 77.
HR 26 maart 1936, NJ 1936/757 (Sleepboot Egbertha).
Zie voor een uitgebreide bespreking van de herkomst van de verkeersopvatting (ook met betrekking tot het verbintenissenrecht): A.C. van Schaick, ‘Verkeersopvattingen in het goederenrecht’, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 82.
HR 11 december 1953, NJ 1954/115 (Stafmateriaal).
Eenzelfde formulering vindt men in de Toelichting Meijers bij het huidige art. 3:4 BW, waarin hij stelt: “Niet nodig is, dat het onderdeel aard- of nagelvast aan de hoofdzaak verbonden is.” Zie TM, PG Boek 3, p. 72.
Zie J. Drion, annotatie bij: HR 11 december 1953, NJ 1954/115.
Art. 3:4 lid 1 BW bepaalt:
“Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.”
De verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming werd in het huidige BW gecodificeerd, maar was eigenlijk een vastlegging van reeds bestaande jurisprudentie.1 In 1936 introduceerde de Hoge Raad in het arrest Sleepboot Egbertha de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming.2,3
Het dispuut in het in 1936 gewezen arrest tussen Stork en Van Gelderen betrof de vraag of de door Stork onder eigendomsvoorbehoud geleverde motor die Van Gelderen in zijn sleepboot ‘Egbertha’ plaatste, bestanddeel was geworden van de sleepboot of dat het een zelfstandige zaak was gebleven, zodat Stork de motor op grond van het eigendomsvoorbehoud kon revindiceren. De Hoge Raad overwoog:
“(...) dat bij twijfel, of een voorwerp door verbinding een wezenlijk bestanddeel van een andere roerende zaak is geworden voor alles beteekenis moet worden toegekend aan de opvattingen, welke in het maatschappelijke verkeer omtrent die soort van roerende zaken bestaan, terwijl aan den afwijkenden wil van de betrokken personen in een bepaald geval geen beteekenis kan worden toegekend, nu het te doen is om de vaststelling van de zakenrechtelijke ten opzichte van een ieder intredende gevolgen van een dergelijke verbinding; dat voorts de omstandigheid, dat de bijzaak zonder beschadiging van de hoofdzaak kan worden gescheiden, niet meebrengt, dat zij tijdens de verbinding niet een wezenlijk bestanddeel van de zaak in haar geheel zal kunnen uitmaken, integendeel bij het voortschrijden der techniek steeds toeneemt het aantal voorwerpen, die wat betreft de wezenlijke bestanddeelen zelfs door niet vaklieden zonder beschadiging uit elkander kunnen worden genomen.”
Met andere woorden: hoewel de motor afgescheiden kon worden van de sleepboot zonder deze te beschadigen, maakte de motor naar verkeersopvatting een wezenlijk bestanddeel uit van het geheel.
Met dit arrest werd de deur geopend voor de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming. In het in 1953 gewezen Stafmateriaalarrest bepaalde de Hoge Raad dat de verkeersopvatting tevens als maatstaf geldt voor natrekking indien een roerende zaak met een onroerende zaak verenigd wordt.4 Voor natrekking door een gebouw gold blijkens art. 562 Oud BW, dat onroerend is “alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is.” De Hoge Raad bepaalde in het Stafmateriaalarrest:
“(...) dat immers van natrekking ook dan sprake kan zijn, indien een aard- of nagelvaste verbinding ontbreekt.”5
Na het wijzen van het Stafmateriaalarrest volgde de kritiek op het gebruik van de verkeersopvatting. Zo stelt Drion in zijn annotatie bij het arrest dat de verkeersopvatting, ‘zo die er al is’, grotendeels bepaald wordt door het antwoord dat de rechtspraktijk geeft op de vraag of er sprake is van een zelfstandige zaak. Om die reden is hij van mening dat de verkeersopvatting de jurist niet verder zal brengen. Daarbij stelt hij dat juist bij twijfel er meestal geen verkeersopvatting zal bestaan, of dat er groepen van belanghebbenden zullen zijn die tegenstrijdige verkeersopvattingen hebben.6 Een alternatieve maatstaf draagt hij niet aan.
Uiteindelijk werd de verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming in het huidige BW gecodificeerd. Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt echter dat dit niet zonder slag of stoot is gegaan.