De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.9:2.9 Overzicht
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.9
2.9 Overzicht
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS374045:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft het huurrecht een wettelijke basis. Aanvankelijk zijn op de huur van ongebouwde onroerende zaken enkel de bepalingen uit de (toenmalige) tweede afdeling van de zevende titel van boek 3 BW van toepassing. In 1951 wordt de bescherming van huurders van ongebouwd onroerend goed uitgebreid door de invoering van de Huurwet. Aanvankelijk biedt de Huurwet de huurders van ongebouwde onroerende zaken zowel huurprijsbescherming als huurbescherming (ontruimingsbescherming). De mate van ontruimingsbescherming is afhankelijk van de schaarste van het huurobject. Omdat er op dat moment geen schaarste zou zijn aan ongebouwde onroerende zaken, zou de bescherming in de praktijk niet zo groot zijn.
Al in 1954 wordt de huurprijsbescherming voor de huur van ongebouwd onroerend goed uit de Huurwet gehaald, omdat de voorgaande jaren is gebleken dat er aan dergelijke bescherming geen behoefte is. Het grootste deel van de ongebouwde onroerende zaken zou door de overheid worden verhuurd, wat de noodzaak van huurprijsbescherming beperkt maakt. In 1960 wordt vervolgens de Huurwet volledig buiten toepassing verklaard voor ongebouwde onroerende zaken. Ook hier wordt als reden gegeven dat er onvoldoende belang bij dergelijke bescherming is, (mede) omdat de overheid meestal als verhuurder optreedt.
In het kader van het rapport van de commissie-Houwing is in de jaren 1966/’67 gediscussieerd over de vraag of er wel terecht van uit wordt gegaan dat in de praktijk geen behoefte aan huur(prijs)bescherming bestaat voor huurders van ongebouwde onroerende zaken. Deze discussie wordt relatief snel en eenvoudig beëindigd door te verwijzen naar het feit dat de Huurwet al sinds 1960 niet meer van toepassing is op deze categorie huurobjecten.
Met wetsvoorstel 24150 is een poging gedaan om de huur van onbebouwde onroerende zaken te regelen, voor zover het gaat om onbebouwde onroerende zaken waarop door de huurder een bedrijfsruimte wordt gebouwd. Tegen de voorgestelde regeling wordt met name door gemeenten bezwaar gemaakt, waarbij zij aanvoeren dat de regeling huurders van onder andere haventerreinen, sportterreinen en sloop- en renovatiepanden te veel huurbescherming geeft; hun bescherming zou groter worden dan die van een erfpachter. Hierdoor zouden deze verhuurders niet meer slagvaardig kunnen optreden. De mogelijkheid om via de kantonrechter ontheffing van deze huurbescherming te verkrijgen, wordt bezwaarlijk geacht vanwege de rompslomp die dit meebrengt.
Bij de behandeling van de wet van 1 augustus 2003, waarbij titel 7.4 BW wordt ingevoerd, is vrijwel niet gesproken over de huur van ongebouwde onroerende zaken. Daar waar het onderwerp zijdelings aan de orde is gekomen, is slechts kort aangegeven dat niet gebleken is dat voor huur van ongebouwde onroerende zaken een bijzondere regel nodig zou zijn. Ook in het ‘nieuwe huurrecht’ zijn slechts de algemene bepalingen uit het BW van toepassing, net zoals onder de werking van de wettelijke regeling uit 1838 het geval is.
Mijns inziens is het jammer dat niet verder is ingegaan op de bezwaren van de gemeenten, zoals genoemd in de Kamerstukken betreffende wetsvoorstel 24150. Mede doordat men het in de Tweede Kamer ook op andere punten van het wetsvoorstel niet eens kan worden, is het wetsvoorstel in 1999 ingetrokken. In de volgende hoofdstukken – en met name hoofdstuk 6 en 7 – zal ik aantonen dat aan de bezwaren van onder meer de gemeenten tegemoet had kunnen worden gekomen en dat een regeling voor de huur van ongebouwde onroerende zaken wel degelijk te realiseren is.