Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.3.1.0
7.3.1.0 Introductie
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481907:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
P.C. van Es, ‘Verkrijging door verjaring: ex nunc of ex tunc?’, WPNR 2011/6880; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/442 en 560; A.C. van Schaick, Rechtsgevolgen en functies van bezit en houderschap, Deventer: Kluwer 2014, p. 125-126; M.W.E. Koopmann, GS Vermogensrecht, afdeling 3 Boek 3 BW, aant. 5; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 348 en 349; P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 74.
Overigens zijn Bartels en Van Mierlo wel voorzichtig in hun formulering: “De verkrijging door verjaring wordt geacht terug te werken tot de aanvang van het bezit.” (Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/442).
Overigens is het wel mogelijk om afstand te doen van de verjaring op grond van art. 3:105 BW j° 306 BW, zie art. 3:22 lid 2 BW.
MvA II, PG Boek 3, p. 415.
P.C. van Es, ‘Verkrijging door verjaring: ex nunc of ex tunc?’, WPNR 2011/6880.
Hoewel er in de afgelopen jaren discussie is geweest over de vraag of verjaring terugwerkende kracht heeft, wordt in de literatuur over het algemeen aangenomen dat verkrijging door verjaring terugwerkende kracht heeft.1, 2Aanvankelijk kende het Ontwerp Meijers een artikel (art. 3.4.3.7) met betrekking tot het doen van afstand van verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW):
“Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend. Een eenzijdige verklaring daartoe is voldoende.”
(lid 1)
Uiteindelijk is dit artikel geschrapt.3 Uit de memorie van Antwoord blijkt:
Het is ongewenst dat b.v. beperkt gerechtigden die hun recht aan degene die door verjaring verkreeg, ontlenen en na deze verkrijging wegens de terugwerkende kracht van de verjaring (verg. artikel 3.2.20) voor aanspraken van de oorspronkelijk rechthebbende op het goed veilig zijn, hun recht zouden kunnen verliezen alleen omdat de hoofdgerechtigde vervolgens afstand van de verjaring doet, waarmee zij zelfs niet bekend behoeven te zijn.”4
Bovenstaande passage wordt vaak aangehaald ter ondersteuning van de stelling dat verkrijging door verjaring terugwerkende kracht heeft. Van Es ging hier echt tegen in. Zijns inziens is er te weinig (wettelijke) basis om de terugwerkende kracht bij verkrijging door verjaring aan te nemen en bestaat er geen bezwaar tegen dat “er gedurende een zekere periode (gedurende de verjaringstermijn, PP) een discrepantie kan bestaan tussen feit en recht.”5
Van Schaick bestrijdt dit en voert een aantal argumenten aan voor het aannemen van terugwerkende kracht bij de verkrijging door verjaring, die ik in het navolgende zal bespreken.