Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.2.2
3.2.2 Bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 2 BW
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486708:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
TM, PG Boek 3, p. 72.
Ploeger stelt dat het materiele criterium van art. 3:4 lid 2 BW “zonder enige twijfel herleid kan worden tot het waardeverlies dat zich bij opheffing van het verband zal verwezenlijken.” Zie: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 46.
Zie mede: Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 38 en H.W. Heyman, ‘De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht’, WPNR 1974/ 5270.
Zie: J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2002, p. 78; H.A.G. Fikkers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1994, p. 35; en J.J. van Hees, R.M. Hermans & S.C.J.J. Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing (Preadviezen uitgebracht voor de vereniging voor burgerlijk recht 1997), Lelystad: Koninklijke Vermande 1997, p. 19.
K.J.H. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht), Nijmegen: Wolf Legal Publishers, 2013, p. 77.
Lid 2 van art. 3:4 BW bepaalt:
“Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.”
Het bepaalde zoals in art. 3:4 lid 2 BW is neergelegd, wordt ook wel het ‘fysieke criterium genoemd’.
Meijers zegt hierover in zijn Toelichting:
“Wat aard en nagelvast is, is dus bestanddeel, maar niet ieder bestanddeel is aard- of nagelvast.”1
In vergelijking tot het eerste lid van art. 3:4 BW geeft het tweede lid een concretere regel wanneer sprake is van bestanddeelvorming. Enige discussie bestaat over de vraag wanneer sprake is van een ‘beschadiging van betekenis’. Ploeger stelt dat hiervoor een afweging gemaakt dient te worden tussen de waarde van de zaak als zelfstandig voorwerp en de beschadiging die afscheiding met zich brengt.2 De vraag is of de waarde van de nieuwe zaak (die door afscheiding ontstaat) opweegt tegen de schade die door de afscheiding wordt veroorzaakt.3
Fikkers, Wichers en Kortmann stellen dat de kwestie geheel afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en bezien dient te worden aan de hand van die omstandigheden van het geval.4 Hoofs stelt hieromtrent dat bij het beoordelen van de beschadiging partijen terug zullen vallen op de verkeersopvatting:
“zowel de hoogte van de schade als de schade die de waarde die aan de betrokken objecten wordt toegekend, alsook de vergelijking tussen de hoogte van de schade en de waarden van de objecten zijn alle gebaseerd op de daaraan in het maatschappelijke verkeer toegekende ‘getallen’.”5
Dit lijkt mijns inziens het meest aan te sluiten bij de Parlementaire Geschiedenis, waar in het Mondeling Overleg schrapping van het eerste lid van 3:4 BW voorgesteld werd, maar dit van de hand gewezen werd met als argument, dat ook indien lid 1 geschrapt zou worden (en derhalve alleen het fysieke criterium van lid 2 zou resteren) de rechter nog steeds de verkeersopvatting zou hanteren:
“Bij beslissingen inzake bestanddelen doet immers de rechter niets anders dan toetsen aan deze maatstaf (de verkeersopvatting, PP).”
Bij de toepassing van lid 2 van art. 3:4 BW speelt de verkeersopvatting derhalve nog steeds een rol.
Alvorens de verhouding tussen de twee leden van art. 3:4 BW te bespreken zal eerst de vraag besproken worden of zonnepanelen op grond van art. 3:4 BW nagetrokken worden door het gebouw waarop zij geplaatst zijn.