Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.3.1.2:7.3.1.2 ‘De vordering op grond van art. 3:121 BW’
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.3.1.2
7.3.1.2 ‘De vordering op grond van art. 3:121 BW’
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS490440:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander argument voor het aannemen van terugwerkende kracht bij verkrijging door verjaring dat Van Schaick noemt, is de vordering op grond van art. 3:121 BW. Art. 3:121 BW bepaalt:
“Een bezitter die niet te goeder trouw is, is jegens de rechthebbende behalve tot afgifte van het goed ook verplicht tot het afgeven van de afgescheiden natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, onverminderd zijn aansprakelijkheid op grond van het in titel 3 van Boek 6 bepaalde voor door de rechthebbende geleden schade.”
Indien verkrijging door verjaring geen terugwerkende kracht zou hebben, zou (in theorie) de verkrijger door de oorspronkelijke rechthebbende aangesproken kunnen worden tot afgifte van de vruchten van die zaak. Van Schaick geeft zelf al toe dat dit in de praktijk ‘geen erg reëel gevaar is’, omdat art. 3:312 BW bewerkstelligt dat deze vordering verjaart op het moment dat de verkrijger eigenaar wordt van de grond.1 Dit blijkt overigens ook expliciet uit de Memorie van Antwoord bij het huidige art. 3:121 BW, waar gesteld wordt:
“In het stelsel van het gewijzigd ontwerp zal het mitsdien niet mogelijk zijn dat de bezitter die een goed door verjaring heeft verkregen, daarna nog gedwongen wordt tot afgifte van vruchten die hij vóór de voltooiing der verjaring betreffende het moedergoed heeft verkregen, behoudens uiteraard indien de verjaring van de vordering tot afgifte van de vruchten afzonderlijk zou zijn gestuit of verlengd. Ingevolge artikel 3.4.3.8 zullen deze vruchten de rechthebbende geworden bezitter dan ook toebehoren. Dit geldt zowel voor de bezitter die van de aanvang af goede trouw mist, als voor de bezitter te goeder trouw op wie ingevolge het derde lid het onderhavige artikel 15 van toepassing is.”2
Het argument dat artikel 3:121 BW de stelling onderbouwt dat verjaring terugwerkende kracht heeft, is om die reden niet overtuigend.