Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.6.3:4.2.6.3 Het schrappen van lid 3 van art. 3:4 BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.6.3
4.2.6.3 Het schrappen van lid 3 van art. 3:4 BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483093:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, PG Boek 3, p. 76.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het derde argument voor rechtszekerheid als belangrijkste motief voor het eenheidsbeginsel is het schrappen van lid 3 van art. 3:4 BW. Aanvankelijk bestond er naast het recht van opstal een tweede uitzondering op het eenheidsbeginsel in de vorm van lid 3 van art. 3:4 BW, dat natrekking voorkwam bij zaken die onder eigendomsvoorbehoud geleverd waren. Wat betreft de afschaffing van dit derde lid wordt in de Parlementaire Geschiedenis expliciet gesteld dat een stelsel waarin men zich onbeperkt een recht op een bestanddeel van een zaak zou kunnen voorbehouden tot grote rechtsonzekerheid leidt.1 Wanneer het waardemotief zou prevaleren als grondslag voor het eenheidsbeginsel, is afschaffing van het derde lid van art. 3:4 BW discutabel.