Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.2.1:I.2.1 Natrekking
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.2.1
I.2.1 Natrekking
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2015
- Datum
01-05-2015
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485500:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden) Deventer: Kluwer 1997, nr. 26.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat is natrekking? De term natrekking komt uit de doctrine, de wetgever gebruikt het woord niet. Natrekking wordt in de literatuur op verschillende wijzen omschreven. Ploeger stelt dat bij natrekking “de zaak bestanddeel [wordt] van een reeds bestaande eenheid.”1 Bartels & Van Mierlo schrijven: “De eigendom van de hoofdzaak omvat het bestanddeel. Men spreekt in dit geval van natrekking, hetgeen vooronderstelt het bestaan van een hoofdzaak en een bestanddeel.”2 Van Velten definieert verticale natrekking als: “De eigenaar van de grond is krachtens dit beginsel [superficies solo cedit, PP) ook eigenaar van onder andere de daarop aanwezige, duurzaam met de grond verenigde opstallen, alsmede de met de grond verenigde beplantingen.”
Bovenstaande beschrijvingen geven vormen van natrekking weer, maar geven niet zo zeer een definitie van natrekking. Om die reden wordt in dit onderzoek een eigen definitie van natrekking gehanteerd. Onder natrekking wordt in dit onderzoek verstaan: het feit dat het eigendomsrecht (op een zaak) mede een voormalig zelfstandig eigendomsrecht gaat omvatten.
Uitbreiding van het eigendomsrecht, doordat het zich gaat uitstrekken over een voormalig zelfstandig eigendomsrecht, c.q. natrekking, kan bij onroerende zaken op drie wijzen geschieden:
Doordat een zaak direct of indirect verenigd is met de grond, waardoor het een onroerende zaak is en het (in beginsel) omvat wordt door de eigendom van de grond (art. 3:3 j° 5:20 lid 1 BW);
Doordat een zaak bestanddeel is van een andere zaak in de zin van art. 3:4 BW;
In het platte vlak kan het eigendomsrecht ten aanzien van een grondstuk uitgebreid worden door de eigendomsverkrijging van een naastgelegen grondstuk.
Deze drie wijzen zullen in deze dissertatie besproken worden. Daarbij zal ook aan de orde komen hoe zij zich van elkaar onderscheiden en hoe zij zich tot elkaar verhouden.
Voor wat betreft dat laatste bestaat er discussie over de vraag of natrekking op grond van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 BW tevens bestanddeelvorming inhoudt. Deze discussie zal besproken worden in hoofdstuk 4. Hoewel uiteengezet zal worden dat natrekking in de zin van at. 5:20 lid 1 BW met zich brengt dat een gebouw of werk ook bestanddeel is van die grond, wordt in dit onderzoek met de term ‘bestanddeelvorming’, bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW bedoeld. Daar waar gedoeld wordt op bestanddeelvorming op grond van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 sub e BW, zal dit in de tekst aangegeven worden.
Natrekking ziet op de uitbreiding van het eigendomsrecht. Desalniettemin zal in dit onderzoek eveneens aandacht worden besteed aan de vraag of natrekking ook plaats kan vinden bij andere zakenrechtelijke rechten. Zo zal in hoofdstuk 7 ingegaan worden op de vraag of een beperkt recht, dat rust op een grondstuk, zich mede uit gaat strekken over een naastgelegen stuk grond dat door verjaring verkregen wordt.