Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.2
4.2.2 Het status-quo-beginsel van Kisch
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487924:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
I. Kisch, Beschouwingen over de onderscheiding tusschen zakelijke en persoonlijke rechten (diss. UvA), Samsom: Alphen aan de Rijn 1932, p. 294.
I. Kisch, Beschouwingen over de onderscheiding tusschen zakelijke en persoonlijke rechten (diss. UvA), Samsom: Alphen aan de Rijn 1932, p. 297.
I. Kisch, Beschouwingen over de onderscheiding tusschen zakelijke en persoonlijke rechten (diss. UvA), Samsom: Alphen aan de Rijn 1932, p. 298.
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer, 1997, p. 32.
Kisch promoveerde in 1932 op een dissertatie betreffende ‘Beschouwingen over de onderscheiding tussen zakelijke en persoonlijke rechten.’ Hij bespreekt hierin de rechtvaardiging van natrekking en noemt hier de status quo. Met het moment van de status quo bedoelt Kisch: “Het recht voegt zich naar den toestand, naar de feitelijke situatie.” (...) “Want de rechtelijke, de wenschelijke toestand kan niet worden teweeg gebracht zonder verstoring van den feitelijken, den werkelijken toestand.”1
Als voorbeeld van een “geval waarin de status quo gewicht uitoefent om der wille van een feitelijke betrekking tusschen zaken (of deelen van zaken) die men niet wenscht te verbreken” noemt hij natrekking door de grond:
“Een eigenaar van den grond heeft gebouwd met andermans materiaal – hij wordt nu eigenaar van het gebouwde.”2
(…)
“Een natuurlijk beletsel bestaat ten aanzien van zulk een verdeling wederom niet: geen onroerend goed of het is voor verdeeling vatbaar. Het recht wenscht een zoodanige verdeeling niet; een gevestigde feitelijke situatie zou er door worden verstoord. Ook hier heeft de status quo als overwegens tegenwicht gewerkt.”3
Met Ploeger4 ben ik van mening dat dit niet bruikbaar is als motief voor het eenheidsbeginsel. Want waarom moet de gerechtigdheid hier wijken voor de status quo?