Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.3:III.7.3 Het nemo-teneturbeginsel als juridisch concept in de rechtspraak van de Hoge Raad
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.3
III.7.3 Het nemo-teneturbeginsel als juridisch concept in de rechtspraak van de Hoge Raad
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455597:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere: B.J. Koops & L. Stevens, ‘J.B. versus Saunders. De groeiende duisternis ond nemo-tenetur’, DD 2003, 3, p. 294 en T. Ward & P. Gardner, ‘The privilege against self-incrimination: in search of legal certainty’, EHRLR 2003, 4, p. 394 en G. Knigge, conclusie, punt 61 bij HR 19 september 2006,RvdW 2006, 888 en L. Stevens, punt 2 annotatie bij HR 19 september 2006, NJCM-Bulletin 2007, 5, p. 630 en D. Aben, conclusie, punt 10.3.1 bij HR 5 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP6144.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf staat de rechtspraak van de Hoge Raad over het nemo-teneturbeginsel centraal. Het is voornamelijk om twee redenen interessant om naast de rechtspraak van het EHRM ook naar de rechtspraak van Nederlands hoogste rechtscollege te kijken. Ten eerste, zoals hierboven beschreven, beargumenteren verschillende auteurs dat de rechtspraak van het EHRM aan duidelijkheid te wensen over laat.1 Het is daardoor mogelijk dat ook de Hoge Raad problemen heeft met de EHRM-arresten over het nemo-teneturbeginsel of ten minste deze arresten op eigen manier dient te interpreteren. De vraag rijst hoe de Hoge Raad zijn weg heeft gevonden bij de uitwerking van het nemo-teneturbeginsel?
Daarnaast kan, met de door mij hiervoor beschreven interpretatie van de rechtspraak van het EHRM, worden bekeken of de Hoge Raad voor eenzelfde lijn kiest bij de uitwerking van het nemo-teneturbeginsel. Het is niet ondenkbaar dat de Hoge Raad, zeker gezien de moeilijkheden wat betreft de interpretatie bij de rechtspraak van het EHRM, een andere invalshoek kiest dan het EHRM. Hieronder wordt daarom aandacht besteed aan de rechtspraak van de Hoge Raad over het nemo-teneturbeginsel. Hierbij hanteer ik de door mij beschreven criteria uit de EHRM rechtspraak als leidraad. Zoals hierboven beschreven, speelt het type bewijs (onafhankelijk of afhankelijk van de wil bestaand) een rol bij de beoordeling welke aard en mate van dwang is geoorloofd. De betrouwbaarheid van het bewijs komt daarom in de volgende paragraaf aan bod bij ‘ongeoorloofde dwang’. Daarnaast wordt aan de menselijke waardigheid geen afzonderlijke paragraaf besteedt, omdat de menselijke waardigheid in de rechtspraak van het EHRM over het nemo-teneturbeginsel, evenals in die van de Hoge Raad, geen rol van betekenis speelt.
III.7.3.1 Ongeoorloofde dwangIII.7.3.2 Procesautonomie