De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.5:4.5 Het aandeel waarbij het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.5
4.5 Het aandeel waarbij het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS391270:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:201 en 3:202 BW.
Zie voor een uitvoerige bespreking van dit onderwerp: Bos 2005 en Koster 2012.
Bos 2005, p. 77-82 en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 305.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 58 (MvT).
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 310 en HR 23 mei 1958, NJ 1958, 458 (Pierlot/Kreemer).
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 48 (NV II).
In gelijke zin: Koster 2012, p. 212.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vruchtgebruik geeft het recht om goederen, die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Het recht op vruchtgebruik ontstaat door vestiging of verjaring.1 Het vruchtgebruik op aandelen is geregeld in art. 2:197 BW.2 Dat artikel is een bijzondere regeling en een nadere uitwerking van de algemene regels over vruchtgebruik van Titel 8 Boek 3 BW. Voor het vestigen van een vruchtgebruik op aandelen op naam is, naast een geldige titel en beschikkingsbevoegdheid, overeenkomstig art. 2:196 BW een notariële akte vereist.3
Art. 2:197 BW houdt in dat de bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op een aandeel niet bij de statuten kan worden beperkt of uitgesloten. De aandeelhouder heeft het stemrecht op de aandelen waarop een vruchtgebruik is gevestigd. In afwijking van deze hoofdregel, zo bepaalt art. 2:197 lid 3 BW, komt het stemrecht toe aan de vruchtgebruiker, indien dit bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald of nadien schriftelijk tussen de aandeelhouder en de vruchtgebruiker is overeengekomen en de vruchtgebruiker een persoon is aan wie de aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen. Indien de vruchtgebruiker een persoon is aan wie de aandelen niet vrijelijk kunnen worden overgedragen, komt hem het stemrecht uitsluitend toe, indien dit bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald of nadien schriftelijk tussen de aandeelhouder en de vruchtgebruiker is overeengekomen, mits zowel deze bepaling als – bij overdracht van het vruchtgebruik – de overgang van het stemrecht is goedgekeurd door een daartoe in de statuten aangewezen orgaan, dan wel – bij ontbreken van zodanige aanwijzing – door de algemene vergadering. Hiervan kan in de statuten worden afgeweken. Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de art. 4:19 en 4:21 BW komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe, tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of door de kantonrechter op de voet van art. 4:23 lid 4 BW anders wordt bepaald. Op de in art. 2:197 lid 3 BW bedoelde schriftelijke overeenkomst zijn art. 2:196a en 2:196b BW van overeenkomstige toepassing. De aandeelhouder die vanwege een vruchtgebruik geen stemrecht heeft en de vruchtgebruiker die stemrecht heeft, hebben de rechten die door de wet zijn toegekend aan de houders van certificaten van aandelen waaraan vergaderrecht is verbonden, zo bepaalt art. 2:197 lid 4 BW onder meer.
Uit het artikel vloeit als hoofdregel voort dat, ondanks het gevestigde vruchtgebruik op het aandeel, het stemrecht bij de aandeelhouder blijft (lid 2), tenzij sprake is van een regeling als bedoeld in lid 3. Het derde lid is in verband met de invoering van de flex-BV aangepast. Reden daarvoor is de afschaffing van de verplichte blokkeringsregeling in de flex-BV. Anders dan onder het oude recht, bestaat onder de flex-BV ook de mogelijkheid de toekenning van het stemrecht aan de vruchtgebruiker op een later moment te doen plaatsvinden in een schriftelijke overeenkomst tussen de aandeelhouder en de vruchtgebruiker. Art. 2:196a BW is van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat artikel gaat over de vestiging en levering van het vruchtgebruik. De overeenkomstige toepassing leidt ertoe, dat (indien de vennootschap niet zelf partij is bij de rechtshandeling) de vruchtgebruiker een na de vestiging van het vruchtgebruik toegekend stemrecht eerst kan uitoefenen nadat de vennootschap de rechtshandeling heeft erkend of de overeenkomst aan haar is betekend overeenkomstig de bepalingen in art. 2:196a en 2:196b BW.4 Voorts is in het kader van de invoering van de flex-BV art. 2:197 lid 4 BW aangepast. Die wijziging houdt verband met de nieuwe regeling over de certificaten met vergaderrecht, als bedoeld in art. 2:227 BW, en het stemrechtloze aandeel, als bedoeld in art. 2:228 lid 5 BW.
Voor dit onderzoek is relevant de uitzondering op de hoofdregel, zoals geformuleerd in art. 2:197 lid 3 BW. In die situatie wordt het stemrecht door de aandeelhouder aan de vruchtgebruiker overgedragen. Daarmee is die aandeelhouder geworden tot een kapitaalverschaffer zonder stemrecht. Op grond van art. 2:197 lid 3 BW komt het stemrecht toe aan de vruchtgebruiker in de volgende situaties. Allereerst moet onderscheid worden gemaakt of de vruchtgebruiker een persoon is aan wie de aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen. Zo ja, dan komt de vruchtgebruiker stemrecht toe (i) indien dit bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald of (ii) indien het vruchtgebruik reeds is gevestigd en nadien schriftelijk tussen de aandeelhouder en de vruchtgebruiker de overdracht van het stemrecht is overeengekomen. Indien de vruchtgebruiker niet een persoon is aan wie de aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen, komt hem het stemrecht toe in de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde gevallen, mits zowel de regeling over de overgang van het stemrecht als die overgang zelf door een daartoe in de statuten aangewezen orgaan, dan wel – bij ontbreken van zodanige aanwijzing – door de algemene vergadering wordt goedgekeurd. Het spreekt voor zich dat indien de goedkeuring ontbreekt, het stemrecht niet aan de vruchtgebruiker toekomt. Er is immers niet aan alle daartoe gestelde vereisten voldaan. Van de goedkeuringsregel kan in de statuten worden afgeweken.
Uiteraard heeft de vruchtgebruiker recht op ‘dividend’, althans ‘uitkering uit het uit behaalde winsten stammende, [dat] (nog) niet ten behoeve van de bedrijfsuitoefening gebonden vermogen behoort, en uit dien hoofde uit zijn aard voor ‘winst’- uitkering vatbaar is’. Bonusaandelen of andere uitkeringen ten laste van de agioreserves en claimrechten vallen er niet onder.5 Naast het recht op dividend komt de vruchtgebruiker in bepaalde gevallen, overeenkomstig het bepaalde in art. 2:227 BW, vergaderrecht toe.
Uit het voorgaande volgt dat indien het stemrecht rechtsgeldig door de aandeelhouder aan de vruchtgebruiker is overgedragen, die aandeelhouder is geworden tot een kapitaalverschaffer zonder stemrecht. De vruchtgebruiker met stemrecht valt uiteraard niet onder het begrip kapitaalverschaffer zonder stemrecht. Hij is immers geen kapitaalverschaffer en hij heeft wél stemrecht. De vruchtgebruiker met stemrecht laat ik daarom verder onbesproken.
Samengevat is het in het kader van dit onderzoek van belang de volgende punten in het achterhoofd te houden:
de bevoegdheid tot het vestigen van vruchtgebruik op een aandeel kan niet bij de statuten worden beperkt of uitgesloten;
de hoofdregel ter zake van het stemrecht is dat de aandeelhouder het stemrecht heeft op de aandelen waarop vruchtgebruik is gevestigd;
de aandeelhouder wordt stemrechtloos indien het stemrecht bij de vestiging van het vruchtgebruik aan de vruchtgebruiker is overgedragen of indien die overdracht nadien schriftelijk tussen de aandeelhouder en de vruchtgebruiker is overeengekomen. De vruchtgebruiker moet iemand zijn aan wie de aandelen vrij kunnen worden overgedragen. Als dat laatste niet het geval is, moet – kort gezegd – zowel de regeling over de overdracht van het stemrecht als de overdracht van het stemrecht zelf door de algemene vergadering worden goedgekeurd.
Art. 2:197 lid 4 BW bepaalt dat de aandeelhouder die vanwege een vruchtgebruik geen stemrecht heeft, de rechten heeft die door de wet zijn toegekend aan de houders van certificaten van aandelen waaraan vergaderrecht is verbonden. Uit art. 2:227 lid 2 BW volgt dat de aandeelhouder, die vanwege een vruchtgebruik geen stemrecht heeft, wel vergaderrecht heeft. Indien certificaten met vergaderrecht in vruchtgebruik worden gegeven, komen het vergaderrecht en de daaraan gekoppelde, wettelijke rechten aan de certificaathouder toe. Uit art. 2:227 lid 2 BW volgt dwingendrechtelijk dat het vergaderrecht kan toekomen aan vruchtgebruikers van aandelen, maar niet aan vruchtgebruikers van certificaten, aldus de wetgever.6
Art. 2:197 BW laat toe dat vruchtgebruik wordt gevestigd op stemrechtloze aandelen. De wettekst geeft immers geen beperking tot bepaalde soorten van aandelen. De stemrechtloze aandeelhouder heeft geen stemrecht in de algemene vergadering, maar wel in de vergadering van houders van stemrechtloze aandelen. Ik verwijs naar paragraaf 4.2.7. Indien op grond van art. 2:197 BW vruchtgebruik op stemrechtloze aandelen wordt gevestigd, komt conform de hoofdregel van art. 2:197 lid 2 BW het stemrecht van de stemrechtloze aandeelhouder in de vergadering van houders van stemrechtloze aandelen aan hem toe, tenzij op grond van art. 2:197 lid 3 BW dit stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker.7
Met betrekking tot de aandeelhouder waarbij stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker is art. V.1 van het Overgangsrecht van belang.8 Dat artikel bepaalt dat de art. 68a, 69, 71, 74, 75, 79 tot en met 82 en 173 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing zijn op de wijzigingen ingevolge de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. Waar in die artikelen wordt verwezen naar ‘de wet’ wordt daaronder verstaan de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. De Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek regelt het overgangsrecht dat van toepassing is op de invoering, sinds 1992, van Boek 1 tot en met 8 van het Burgerlijk Wetboek. De overgangsbepalingen in verband met Boek 2 uit de Overgangswet NBW zijn voor het wetsvoorstel niet relevant en daarom niet van toepassing verklaard. De wetgever licht toe: “Als algemeen uitgangspunt geldt bij een wetswijziging dat de nieuwe bepalingen vanaf het moment van inwerkingtreding onmiddellijk van toepassing zijn, maar enkel ten aanzien van feiten die na dat moment voorvallen (zie ook art. 29 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, hierna: Overgangswet NBW). Wanneer onder het huidige recht (lees: oude recht, RAW) recht besluiten en rechtshandelingen rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en zijn verricht, kunnen gewijzigde voorwaarden voor rechtsgeldigheid onder het nieuwe recht daarin geen verandering brengen.”9Met andere woorden: de inwerkingtreding van de flex-BV doet aan een rechtsgeldig gevestigd vruchtgebruik op aandelen, waarbij de aandeelhouder zijn stemrecht aan de vruchtgebruiker heeft overgedragen, niets af.