Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.2.1
8.2.1 Snelheid en efficiëntie – beperkte rechterlijke betrokkenheid
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook J. B. Cleveland, Valuation in bankruptcy and a financial restructuring context, Journal of Business Valuation 7/15/2003 die vaststelt dat “in virtually every restructuring situation, the subject company has waited too long to address its capital structure.”
D.G. Baird and R.K. Rasmussen, Control Rights, Priority Rights, and the Conceptual Foundations of Corporate Reorganizations, 87 Va. L. Rev. 921, 2001, p. 941: “Perhaps the most substantial cost is that of delay.” Zie dezelfde zin ook G. Moss, Chapter 11 – an English lawyers critique, Insolvency Intelligence 1998.
D.G. Baird, The Uneasy Case for Corporate Reorganizations, 15 J. Legal. Stud. 127 (1986), p. 144: “investors as a group are worse off if there are too many procedural rights.” Zie ook S. Madaus, Rescuing Companies Involved in Insolvency Proceedings with Rescue Plans, NACIIL Reports 2012, p. 39: “excessive rights to object and appeal are a major cause of delay and costs in a plan proceeding”; zie voorts N.W.A. Tollenaar, Materiële crediteurenbescherming: een balans tussen juridische en economische bescherming, TvI 2014/31.
Commission Staff Working Document, Impact Assessment Accompanying the document Commission Recommendation on a New Approach to Business Failure and Insolvency, SWD(2014) 62 final, p. 15 met een grafiek die de correlatie weergeeft en verwijzing naar de bron.
Commission Staff Working Document, Impact Assessment Accompanying the document Commission Recommendation on a New Approach to Business Failure and Insolvency, SWD(2014) 62 final, p. 37: “In a simplified preventive procedure, the court need only be involved at 2 moments: when a moratorium is sought against enforcement actions of certain creditors and when a plan (…) needs to be approved (…).”
S. Madaus, Rescuing Companies Involved in Insolvency Proceedings with Rescue Plans, NACIIL Reports 2012, p. 15.
Zie in dit verband ook S. Madaus, Rescuing Companies Involved in Insolvency Proceedings with Rescue Plans, NACIIL Reports 2012, p. 18 die een systeem verdedigt dat vergelijkbaar is met Chapter 11 waarbij eventueel hoger beroep tegen de homologatiezitting de uitvoering van het akkoord in beginsel niet schorst.
Zie ook T.H. Jackson, Bankruptcy, Non-Bankruptcy Entitlements, and the Creditors’ Bargain, Yale Law Journal, 91/5, 1982, p. 867; R.D. Vriesendorp, R.M. Hermans, K.A.J. de Vries, Wetsvoorstel tot aanpassing van de Faillissementswet door uitbreiding met titel IV, TvI 2013/20, p. 12.
Zie in dit verband ook T.H. Jackson, Bankruptcy, non-bankruptcy entitlements, and the creditors’ bargain, Yale Law Journal, 1982, p. 867; zie voorts O. Couwenberg, Resolving Financial Distress in the Netherlands, diss. Groningen, 1997, p. 40-41 die op basis van empirisch onderzoek vaststelt dat junior vermogensverschaffers inefficiënties in de faillissementsprocedure in de praktijk opportunistisch plegen te gebruiken om in weerwil van de wettelijke rangorde waarde te bedingen en uitlegt dat dit uiteindelijk tot een verhoging van de kosten van kapitaal leidt. Een effectieve en efficiënte procedure die aanspraakgerechtigde crediteuren in staat stelt de wettelijk verdeling met beperkte kosten of schade af te dwingen, kan dit soort opportunisch gedrag voorkomen en daarmee tot een verlaging van de kosten van kapitaal en efficiëntere kapitaalstructuren leiden.
Een akkoord zal in de praktijk in de meeste gevallen pas worden aangeboden als het spreekwoordelijk “vijf voor twaalf” is.1 Snelheid is dan ook van het grootste belang.2 Dit betekent noodzakelijkerwijs dat er aan de omvang van de juridische waarborgen concessies moeten worden gedaan. Dit is in het belang van de crediteuren zelf, omdat een uitgerekte, complexe en kostbare procedure ten koste van de beschikbare waarde kan gaan.3
Ter bevordering van de snelheid en efficiëntie zou het aantal rechterlijke beslissingen met de mogelijkheid tot inhoudelijk debat tot een minimum beperkt moeten blijven. Daarmee doel ik niet alleen op het aantal rechtsingangen, maar vooral ook op het aantal en de aard van de criteria en onderwerpen waarover de rechter moet beslissen en waarover discussie valt te voeren.
Iedere rechterlijke beslissing op tegenspraak veroorzaakt vertraging, brengt aanzienlijke kosten met zich en biedt dwarsliggende crediteuren een aanknopingspunt om een spaak in de wielen te steken. Opportunistisch handelende crediteuren maken handig gebruik van mogelijkheden om in rechte discussie op te werpen om het proces te frustreren en daarmee hold-out value voor zichzelf te creëren. Dat gaat ten koste van de crediteuren als groep. Waar uitgebreide juridische waarborgen sympathiek ogen, kunnen deze voor bona fide crediteuren een averechts effect hebben. In haar Impact Assessment bij de Aanbeveling van de Europese Commissie wijst de Commissie op een onderzoek van de Wereldbank waaruit blijkt dat de kans om de doelstellingen van een efficiënte procedure te bereiken omgekeerd evenredig is aan de mate van rechterlijke betrokkenheid: “According to the World Bank study (2004) the likelihood of achieving the goals of an efficient bankruptcy system is inversely related to “court power”.4 Volgens de Europese Commissie is rechterlijke betrokkenheid slechts op twee onderdelen strikt nodig, namelijk voor het schorsen van een verhaalsactie op verzoek van de schuldenaar (indien nodig) en voor het homologeren van het akkoord.5 Madaus pleit eveneens voor een akkoordprocedure buiten faillissement die enkel bestaat uit een snelle homologatiezitting (“a single quick confirmation hearing”): “The proceeding should be condensed to a confirmation hearing and a confirmation order which should take no longer than a couple of days or weeks”.6
Als men eenmaal tot crediteurenraadpleging overgaat, zou men van de gelegenheid optimaal gebruik moeten maken en zoveel mogelijk onderwerpen die de crediteuren rechtstreeks aangaan aan de democratische besluitvorming van de crediteuren zelf over moeten laten. De belangrijkste rechterlijke beslissing waar in bepaalde gevallen niet aan valt te ontkomen, is die van de waardering.
Een ingrijpende maar noodzakelijke concessie is om af te zien van het openstellen van rechtsmiddelen.7 Het relatieve nut van een tweede en derde kans zal in de meeste gevallen niet opwegen tegen de daar tegenoverstaande nadelen van vertraging en waardeverlies. Ook bij de rechtsmiddelen geldt dat deze opportunistisch handelende crediteuren de mogelijkheid bieden het proces te frustreren en hold-out value voor zichzelf te creëren. De enkele vertraging als gevolg van het ingestelde beroep geeft dwarsliggende crediteuren een oneigenlijk middel om een onderhandelingspositie af te dwingen zonder dat het ingestelde beroep enige inhoudelijke merites heeft. De rechter kan met ten onrechte opgeworpen bezwaren later wellicht eenvoudig korte metten maken, maar de veroorzaakte vertraging maakt hij niet meer ongedaan.
Een doortastende procedure is niet alleen van belang voor de bruikbaarheid van de procedure zelf, maar ook om schikkingen te faciliteren die recht doen aan de onderlinge posities zonder dat van de procedure gebruik hoeft te worden gemaakt.8 Indien dwarsliggende crediteuren weten dat hun medewerking relatief eenvoudig kan worden afgedwongen en dat het derhalve weinig zin heeft lang aan een onhoudbaar standpunt vast te blijven houden, zullen zij eerder geneigd zijn met een redelijk voorstel in te stemmen (de spreekwoordelijke “stok achter de deur” of “credible threat”). Weten partijen die geen economische positie meer hebben echter dat een procedure dusdanige vertraging en risico’s met zich brengt dat deze voor de overige partijen geen reëel alternatief vormt of op zijn minst zeer belastend is, dan hebben zij een prikkel om de hakken (langer) in het zand te zetten en op de procedure af te koersen om de overige partijen aan de nadelen daarvan bloot te stellen en hen daarmee alsnog ertoe te bewegen met hun vaak als onredelijk ervaren voorwaarden in te stemmen. Dit wordt veelal vergeleken met “Russian roulette” waarbij de partij met het geringste economische belang de sterkste uitgangspositie heeft: bij het afstevenen op de waardevernietigende gevolgen van een procedure hebben out of the money crediteuren toch niets meer te verliezen. In the money crediteuren daarentegen hebben wel wat te verliezen en moeten eerder inbinden om hun belangen te beschermen. Dit trekt de onderliggende economische verhoudingen scheef. Hoe toegankelijker en efficiënter de procedure, hoe geloofwaardiger de dreiging van het toepassen van dwang en hoe makkelijker en sneller een schikking is te treffen die aan de onderliggende posities recht doet.9