Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.1.2:4.1.2 De aanloop naar de GATT- en WTO-overeenkomsten
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.1.2
4.1.2 De aanloop naar de GATT- en WTO-overeenkomsten
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301726:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de jaren vóór WO II wint de overtuiging veld, dat de alom noodzakelijk geachte uitbreiding van de wereldhandel alleen kan worden bereikt door de slechting van veel van de bestaande handelsbelemmeringen en door maatregelen tot opvoering van de productie in landbouw en industrie. Daarvan wordt tevens verruiming van werkgelegenheid en stijging van de levensstandaard verwacht. De noodzaak om op dit terrein handelend op te treden wordt erkend in het ‘Atlantic Charter’ van 14 augustus 1941 en in het ‘Mutual Aid Agreement’, dat tussen het VK en de US op 23 februari 1942 wordt gesloten. In deze lijn biedt de regering van de US in december 1945 andere regeringen een document ter overweging aan, getiteld ‘Proposals for Expansion of World Trade and Employment’, waarin de oprichting van een internationale handelsorganisatie wordt bepleit, onder bijvoeging van een ontwerphandvest. Verschillende landen, waaronder Nederland, geven van principiële instemming met dit initiatief blijk.
Het vraagstuk komt ter sprake in de eerste vergadering van de Economische en Sociale Raad van de VN. Op 18 februari 1946 besluit deze raad een internationale conferentie over handel en werkgelegenheid bijeen te roepen met het doel de productie, uitwisseling en consumptie van goederen en diensten te bevorderen. De raad overweegt daarbij, dat de reeds genomen maatregelen en het gebied van internationale economische samenwerking, bekend onder de benaming ‘Bretton Woods’1, noodzakelijk dienen te worden aangevuld met nadere maatregelen ter opheffing van handelsbelemmeringen en discriminerende bepalingen, die uitbreiding van de multilaterale handel en werkgelegenheid in de weg staan. Met uitzondering van de Sovjet Unie aanvaarden alle landen de uitnodiging. De genoemde Amerikaanse ‘Proposals’ vormen het uitgangspunt.
De tariefonderhandelingen worden gehouden in Genève, van 10 april tot 30 oktober 1947. Voor België, Luxemburg en Nederland worden de tariefonderhandelingen uit hoofde van het bestaande gemeenschappelijke Benelux-tarief van invoerrechten, door een gemeenschappelijke Benelux-delegatie gevoerd, maar bij de besprekingen over de Algemene Overeenkomst treden de drie landen zelfstandig op, zij het in nauw overleg met elkaar. Oud-minister van EZ en van Financiën, dr. G.W.M. Huysmans, is voorzitter van de Nederlandse delegatie. De onderhandelingen leiden tussen 23 van de 50 deelnemende landen tot een pakket handelsregels en tariefconcessies in de vorm van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) (Algemene overeenkomst inzake tarieven en handel). Op 30 oktober 1947 wordt bij een door de deelnemende landen ondertekende slotakte de tekst van de GATT authentiek verklaard (GATT 1947).2 GATT 1947 wordt voorlopig van toepassing in januari 1948 op basis van een Protocol tot voorlopige toepassing bij de GATT van 30 oktober 1947.3 Nederland keurt de GATT 1947 in 1950 goed.4