Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.1.6
4.1.6 WTO-verplichtingen in EG-verband
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS299296:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 12 december 1972, nrs. 21/72 t/m 24/72, International Fruit Company NV en anderen vs. Productschap voor Groenten en Fruit (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het CBB), Jur. 1972, p. 1219.
HvJ EG 16 maart 1983, nrs. 267/81 t/m 269/81, Italiaanse administratie der staatsfinanciën vs. Societa Petrolifera Italiana Spa (SPI) en Spa Michelin Italiana (SAMI) (Gevolgen van de consolidatie van rechten in het kader van de GATT), Jur. 1983, p. 801-833, r.o. 17.
Idem, r.o. 19.
Idem, r.o. 18.
Idem, r.o. 18.
Idem, r.o. 19.
Idem, r.o. 19.
HvJ EG 12 december 1972, nrs. 21/72 t/m 24/72, International Fruit Co., Jur. 1972, p. 1219, r.o. 20-27. HvJ EG 24 oktober 1973, nr. 9/73, Carl Schlüter vs. Hauptzollamt Lörrach, Jur. 1973, p. 1135-1163, r.o. 30. HvJ EG 16 maart 1983, nr. 266/81, Societa Italiana per l'Oleodotto Transalpino (SIOT) vs. Italiaanse Ministeries van Financiën en van Koopvaardij, douanedistrict Triëst en Havenbedrijf Triëst (belastingregeling transitogoederen – werking van GATT in gemeenschapsrechtelijk accijnzen wordt in WTO-verband begrensd door (1) de op wereldkader), Jur. 1983, p. 731-782, r.o. 28. HvJ EG 16 maart 1983, nrs. 267/81 t/m 269/81, Italiaanse administratie der staatsfinanciën vs. Societa Petrolifera Italiana Spa (SPI) en Spa Michelin Italiana (SAMI), Jur. 1983, p. 801-833. HvJ EG 22 juni 1989, nr. 70/87, Fédération de l’Industrie de l’Huilerie de la CEE (FEDIOL) vs. Commissie, Jur. 1989, p. 1781. HvJ EG 12 december 1995, nr. C-469/93, Amministrazione delle finanze dello Stato vs. SpA Chiquita Italia, Jur. 1995, p. I-4533.
HR 20 maart 2001, nr. 235/00 E, LJN AB0605, r.o. 5.7. HvJ EG 23 november 1999, nr. C-149/96, Portugal vs. Raad, Jur. 1999, p. I-8395, r.o. 34 en 47. HvJ EG 14 december 2000, nrs. C-300/98 en C-392/98, Parfums Christian Dior SA vs. Tuk Consultancy BV (C-300/98) en Assco Gerüste GmbH, R. van Dijk, handelend onder de naam Assco Holland Steigers Plettac Nederland vs. Wilhelm Layher GmbH & Co. KG, Layher BV (C-392/98), Jur. 2000, p. I-11307, r.o. 44, NJB 2001, p. 129. CBb 29 augustus 2001, nr. 95/0867/112/999, r.o. 6.4.
PbEG 1995, nr. C 208. HvJ EG 24 juni 1986, nr. 236/84, Malt GmbH vs. Hauptzollamt Düsseldorf, Jur. 1986, p. 1923-1949, r.o. 21. HvJ EG 22 januari 1976, nr. 55/75, Balkan-import-export GmbH vs. Hauptzollamt Berlin-Packhof, 1976, Jur. 1976, p. 19-34. HvJ EG 28 oktober 1982, nr. 52/81, Offene Handelsgesellschaft in Firma Werner Faust vs. EC, Jur. 1982, p. 3745-3763.
Art. XX GATT 1947.
Art. I GATT 1947.
Art. I, II, VI t/m X en XVI GATT 1947.
Art. II, VI t/m X en XVI GATT 1947. Vgl. art. 23-25 EG.
Art. XI, XII en XIII GATT 1947. Vgl. art. 3 lid 1 onderdeel c EG. In het bijzonder de art. 23-31 EG (goederen), de art. 39-48 EG (personen), de art. 49-55 (diensten), de art. 56-60 EG (kapitaal), de art. 56-60, 105, 114 en 117 EG (betalingsverkeer).
Art. XVI, XVII en XVIII jo. X GATT 1947. Vgl. art. 87-89 EG.
Art. XI-XIV GATT 1947. Vgl. art. 28-30 EG.
Art. III lid 1, lid 2, lid 4, VI lid 3 en XVI lid 2, lid 3 GATT 1947. Vgl. art. 90-91 EG.
HvJ EG 19 november 1975, nr. 38/75, Douaneagent der NV Nederlandse Spoorwegen vs. Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Jur. 1975, p. 1439-1452.
Panel Report 10 november 1987, JAPAN – Customs Duties, Taxes and Labelling Practices on Imported Wines and Alcoholic Beverages (Japanese Shochu I), BISD 34S/83, par. 5.9 c).
HvJ EG 12 december 1995, nr. C-469/93, Amministrazione delle finanze dello Stato vs. SpA Chiquita Italia, Jur. 1995, p. I-4533.
De USA deed een beroep op: HvJ EG 9 mei 1985, nr. 112/84, Michel Humblot vs. Directeur des Services Fiscaux, Vesoul, Jur. 1985, p. 1367. Zie: Panel Report 11 oktober 1994, United States – Taxes on automobiles, DS31/R (1994), not adopted, par. 3.179.
De lidstaten van de EU zijn elk als WTO-verdragsluitende partij aan de WTOovereenkomst gebonden en waren dat al bij de sluiting van het EG-verdrag in 1957.
Hun wil om de WTO-verplichtingen te eerbiedigen hebben zij neergelegd in het EGverdrag en expliciet verklaard bij de aanbieding van het EG-verdrag aan de WTO verdragsluitende partijen.1 De voor de lidstaten van de EG uit de WTO-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zijn sedert de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief per 1 juli 1968 ook communautaire verplichtingen. De EG zelve is ook één van de verdragsluitende partijen bij de WTO en heeft per die datum van ieder van de lidstaten de uit de WTO-overeenkomst voortvloeiende verbintenissen overgenomen: ‘Op dat tijdstip immers heeft de Gemeenschap, nog voor het einde van de overgangsperiode, haar bevoegdheden inzake de toepassing van de GATT ten volle op zich genomen’.2 De Gemeenschap is, in de woorden van het HvJ EG: ‘op 1 juli 1968, de dag van inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief, in de plaats van de Lid-Staten (...) getreden voor de uitvoering van de door de GATT voorziene verbintenissen’.3 Dit betekent, dat ‘zowel de Lid-Staten als de Gemeenschap zelf gebonden zijn’.4 De Europese Commissie treedt in WTO-verband als woordvoerder voor de Gemeenschap en de lidstaten van de Gemeenschap op. WTO-bepalingen moeten in ieder geval ‘in de gehele Gemeenschap op identieke wijze worden toegepast’5, en behoren sedert 1 juli 1968 tot die bepalingen welke: ‘het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG Verdrag [artikel 234 EG] bevoegd is bij wege van prejudiciële beslissing uit te leggen, ongeacht waartoe deze uitlegging dient’.6 Wat de periode vóór 1 juli 1968 betreft, ‘zijn uitsluitend de rechterlijke instanties van de Lid-Staten tot die uitlegging bevoegd’.7 In de verhouding tussen de Gemeenschap en ieder van de lidstaten is de Gemeenschap exclusief bevoegd op het terrein van de handelspolitiek.
Afspraken in WTO-verband vinden hun weerslag in de Europese regelgeving, de richtlijnen en verordeningen. Hoewel de WTO-overeenkomst voor de EG verbindend is en integraal deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde, hebben de onderscheiden bepalingen ervan geen directe werking.8 De rol van de WTO-overeenkomst is marginaal, omdat haar aard en opzet, in beginsel niet behoren tot het geheel van normen waaraan de nationale rechter de wettigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst en omdat de bepalingen van die overeenkomst niet van dien aard zijn dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich krachtens het gemeenschapsrecht rechtstreeks kunnen beroepen.9 Op de vraag of WTO-bepalingen wellicht voorrang hebben op bepalingen van het EG-verdrag, heeft het HvJ EG geantwoord, dat in de relatie met derde landen ook het gelijkheidsbeginsel geldt, dat wil zeggen geldt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk. Er bestaat geen algemeen beginsel op grond waarvan de Gemeenschap verplicht zou zijn, in haar buitenlandse betrekkingen derde landen in elk opzicht gelijk te behandelen, noch een recht van de marktdeelnemers om zich op het discriminatieverbod te beroepen, wanneer het verschil in behandeling van ondernemers een automatisch gevolg is van het verschil in behandeling van derde landen.10 Door hun communautaire karakter kunnen bepalingen van de WTO-overeenkomst binnen de Gemeenschap geen verschillende werking hebben. WTO-bepalingen dienen in de gehele Gemeenschap op dezelfde manier te worden toegepast. Dit betekent, dat een lidstaat van de EG zich bij de vormgeving van zijn nationale belastingwetgeving ook moet houden aan WTO-regelgeving.
De EC zal er dus op moeten toezien, dat nationale belastingmaatregelen van de lidstaten, met name belastingregelingen met specifieke doelen als volksgezondheid, veiligheid, werkgelegenheid, duurzaamheid of consumentenbescherming, WTO-conform zijn. Hier kunnen spanningen optreden, omdat deze specifieke doelen in het EGverdrag en in de gemeenschapsrechtspraak erkende derogerende beleidsoogmerken, niet altijd genoemd worden in de teksten van de WTO-overeenkomst. Wel is bepaald, dat de WTO-regels niet in de weg staan aan onder meer maatregelen die noodzakelijk zijn ter bescherming van ‘public morals’, ‘human, animal or plant life or health’, ‘exhaustible natural resources’ en ‘national treasures of artistic, historic or archaeological value’, als die een goede uitwerking hebben op binnenlandse productie en consumptie van een WTO-verdragsluitende partij.11 De armslag voor communautaire en nietcommunautaire schaal geldende meestbegunstiging12, (2) het fiscaal-discriminatieverbod op lasten en andere heffingen en restituties ter zake van invoer en uitvoer waardoor om protectionistische (handelspolitieke) redenen buitenlandse goederen zwaarder worden belast dan binnenlandse (verbod op discriminerende douanerechten)13, (3) het verbod op heffingen van gelijke werking als een douanerecht (HGW; verbod op verkapte douanerechten) 14, (4) de vrijheid van goederen- en dienstenverkeer15, (5) het staatssteunverbod 16, (6) de kwantitatieve in- en uitvoerverboden (non-tarifaire belemmeringen) 17, en (7) het fiscaal discriminatieverbod voor binnenlandse belastingen.18
Ten behoeve van de lidstaten van de EG is aan de hand van de rechtspraak van het HvJ EG de reikwijdte en de werking van de WTO-overeenkomst op eenvormige wijze vast te stellen. Het dwingende rechtsgevolg van WTO-verplichtingen moet worden beoordeeld in het licht van de rechtsorde van de Gemeenschap, ook wanneer moet worden bezien of nationale maatregelen zich wel verdragen met de gemeenschapsverplichtingen.19 Volgens het GATT-panel in de zaak Japan – Customs duties, taxes and labelling practices on imported wines and alcoholic beverages (1987) zijn de WTOlidstaten overigens geheel vrij hun belastingstelsels vorm te geven: ‘Article III:2 does not prescribe the use of any specific method or system of taxation’.20
Hoewel de US er met zijn visie op artikel 95 EG-verdrag (thans artikel 90 EG): ‘Article 95 of the Treaty of Rome, a provision almost identical to GATT Article III:2’ welzeker niet ver naast zit, en het fiscaal discriminatieverbod van de GATT (de artikelen III en XVI GATT 1947) ooit model heeft gestaan voor het vorm te geven fiscaal discriminatieverbod in het EG-verdrag (artikelen 90 en 91 EG)21, zijn de interpretaties van GATT 1947 en EG-verdrag op het onderdeel van het fiscaal discriminatieverbod (nog) niet identiek, maar wel in hoge mate vergelijkbaar. In geschillen tussen WTO-lidstaten wijzen partijen het Panel of het Appellate Body (AB) ter onderbouwing van hun standpunten soms op arresten van de het HvJ EG.22 De rechtspraak van het HvJ EG inzake de artikelen 90-91 EG kan evenwel niet zomaar bij wege van analogie op de naleving van WTO-regels worden getransponeerd. Het EG-verdrag heeft een ander doel en een andere strekking dan de WTO-overeenkomst, hetgeen er niet aan in de weg staat om bepalingen in beide verdragen gelijk te interpreteren wanneer tekst en strekking van de betrokken bepalingen daartoe aanleiding geven. De artikelen 90-91 EG bevatten bepalingen met opvallend grote gelijkenis. Wat de mogelijkheden voor stelsels van binnenlandse belastingen betreft zijn de formuleringen van de artikelen 90-91 EG en artikel III(1)(2)(4) en XVI(2)(3) GATT 1947 verschillend, maar naar hun aard en strekking vrijwel gelijk. Beide verdragen verbieden ongelijke behandeling van goederen zowel naar aard en als oorsprong alsmede zijdelingse discriminatie (protectionisme).
De rechtspraak van het HvJ EG en de uitspraken van de WTO/GATT-panels zijn in toenemende mate bezig te convergeren.