Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.2:2.2.2 Eigenschappen en rechtsbeginselen
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.2
2.2.2 Eigenschappen en rechtsbeginselen
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305279:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechtsbeginselen die bij de accijnzen een kenmerkende rol spelen en de typerende eigenschappen van de accijnzen worden in dit hoofdstuk en in het erop volgende behandeld. Een aantal karakterbepalende eigenschappen van accijnzen, zoals het treffen van het verbruik van goederen en diensten via zowel consumptieve als productieve bestedingen, de eenmaligheid van de heffing, het met politieke prijsvorming aangestuurde bestedingensturende vermogen, de dreiging van het reëel in kracht achterlopen bij inflatie, het postulaat van de afwenteling van de accijnsdruk, de vermijdbaarheid en de vrijwilligheid van het betalen van accijnzen en de versluierde heffing van de accijnzen, zijn zo pregnant aanwezig, dat zij deel zijn gaan uitmaken van de rechtsgrondslagen van de accijnzen.
De bij deze typerende eigenschappen behorende rechtsbeginselen zijn:
1 het legaliteitsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel voor de aanduiding ‘accijns’ van alle belastingen die deze typerende eigenschappen bezitten en derhalve eenzelfde economische werking hebben;
2 het internemarktbeginsel, waardoor de accijns verschuldigd is binnen de interne markt, overeenkomstig de wijze waarop de accijns wordt geheven op een binnenlandse markt van een lidstaat en ongeacht de lidstaat waar de goederen metterdaad worden verbruikt. De toepassing van het internemarktbeginsel is tot dusverre evenwel slechts gerealiseerd voor particulieren die accijnsgoederen voor eigen verbruik aankopen in andere lidstaten dan waar zij wonen. De accijns wordt geheven in de lidstaat van aankoop van de goederen en de accijnsopbrengst blijft bij het ontbreken van een communautaire schatkist in de schatkist van die lidstaat en wordt niet verrekend met de schatkist van de lidstaat van bestemming ofwel verbruik van de goederen;
3 het bestemmingslandbeginsel, op basis waarvan de accijnzen worden geheven door de lidstaat op het grondgebied waarvan het verbruik plaatsvindt en de opbrengsten ervan vloeien in de schatkist van die lidstaat. Voor de accijnzen geldt het bestemmingslandbeginsel;
4 het neutraliteitsbeginsel voor de juridisch en economisch neutrale uitwerking van de eenmalige verschuldigdheid van de heffing, voor de afwezigheid van fysieke controles aan de binnengrens, andere belemmeringen bij het overbrengen van accijnsgoederen en het verrichten van diensten ten aanzien van accijnsgoederen en om te bewerkstelligen dat de accijnzen naar hun aard niet dienen tot bescherming van bepaalde bedrijven of goederen;
5 het beginsel van de minste pijn en het beginsel van de maximale realisatie waardoor de heffing van de accijnzen plaatsvindt van goederen en diensten, die als heffingsobjecten zorgvuldig op opbrengstgenererend en bestedingensturend vermogen zijn geselecteerd, via de prijzen van die goederen en diensten waarin zij verborgen zitten en dientengevolge zo veel mogelijk onzichtbaar en onmerkbaar worden geheven;
6 het welvaartsbeginsel, het doelmatigheidsbeginsel en het beginsel van de behoorlijke heffingsratio, waardoor de accijnzen naast de budgettaire ratio een maatschappelijk nevendoel hebben (dubbelratio) en bestedingensturend worden ingezet. Hierdoor kunnen accijnzen dienen als instrument voor het voeren van prijsbeleid en de heffing ervan worden vermeden door te kiezen voor meer schone, meer zuinige of meer gezonde alternatieven;
7 het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid (justitia distributiva), waardoor de accijnzen via afwenteling van de druk ervan op de uiteindelijke verbruiker bijdragen aan een rechtvaardige verdeling van de belastingdruk;
8 het hoofdbeginsel ‘dat de voortbrengende kracht worde vrijgemaakt‘1 (Thorbecke, 1854), ‘handelsvrijheid als Regeringsbeginsel’2, op grond waarvan belastingheffing met de minste verstoring voor de voortbrenging behoort plaats te vinden door de productiefactoren kapitaal, arbeid en grond slechts aan te spreken in de vruchten daarvan3, en – in overeenstemming met het welvaartsbeginsel – productieve bestedingen slechts te treffen in het belang van duurzame ontwikkeling en volksgezondheid.
Selectiviteit in het belasten van goederen en diensten wordt gewoonlijk beschouwd als het meest opvallende kenmerk van accijnzen, waarmee zij zich van andere belastingen onderscheiden. Zij worden geheven vanwege hun vermogen onderscheid aan te brengen, hun bestedingensturende vermogen. In termen van resultaat worden de accijnzen gekarakteriseerd in termen van opbrengst en daarmee het bijdragen aan een rechtvaardige verdeling van de belastingdruk. De eenmaligheid van de heffing onderscheidt de accijnzen van periodiek terugkerende gebruiksbelastingen.