Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.0
2.2.0 Rechtskarakter
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS302878:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3098.
Zie over de eerdere geschiedenis van de accijnzen bijvoorbeeld: F.H.M. Grapperhaus, Bescherming,beroving, belasting, Deventer: 2002. C.Ch. Hulst jr., Over Verteringsbelastingen, (diss.), Amsterdam: 1932. J. van der Poel, Over accijnzen, Haarlem: 1927.
Zo ook: S. Cnossen, Excise systems, (diss.), Baltimore: 1977, p. 7 onderaan. Hulst: 1932, p. 18.
Kamerstukken II 1915/16, 198, nr. 3, p. 4 rk.
Art. 200 Staatsregeling 1798.
Art. 64 Staatsregeling 1798.
Deze zeven belastingbronnen van het belastingstelsel-Gogel zijn: 1. de personele belasting (geheven naar de grondslagen huurwaarde, meubelen, dienstboden, paarden en haardsteden), 2. de grondbelasting (de oude verponding, naar huurwaarde op te leggen op grond van registratie in het kadaster), 3. de in- en uitvoerrechten (de voormalige convooien en licenten), 4. de patentbelasting (een ieder die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent, behoort te zijn voorzien van een patent of vergunning, dat/die hem tegen betaling wordt verleend), 5. de successiebelasting (met vrijlating van vererving in rechte lijn), 6. zegelrechten, en 7. accijnzen.
Handelingen II 1850/51, 24 mei 1851, p. 8821 rk. onderaan.
Handelingen I 1982/83 p. 480 mk. Zie ook: Kamerstukken II 1966/67, 8836, nr. 5, p. 4 lk. KamerstukkenII 1981/82, 16 645, nr. 5. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3199 lk. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3220 lk. Handelingen I 1982/83 p. 480 mk. Handelingen I 1986/87, 28 oktober 1986, p. 72 mk. Kamerstukken II 1988/89, 20 968, nr. 5, p. 6. Kamerstukken II 1988/89, 20 973, nr. 7, p. 5 geheel bovenaan. Kamerstukken II 1988/89, 20 973, nr. 7, p. 7. Kamerstukken II 1989/90, 21 406, nr. 5, p. 4. Handelingen II 1989/90, 7 december 1989, p. 20-632 mk-rk. HandelingenII 1989/90, 12 december 1989, p. 21-716 rk. Kamerstukken II 1990/91, 21 407, nr. 8, p. 4-5. HandelingenII 1990/91, 13 juni 1991, p. 92-5227 mk.
Cnossen 1977, p. 23.
Kamerstukken II 2007/08, 31 200, nr. 1, bijlage 3, p. 87.
‘Accijnzen spelen dus niet alleen een rol vanwege de financieringsbehoefte, maar ook vanwege andere beleidsoverwegingen. Men moet daar echter geen overdreven verwachtingen over koesteren. Regulerende heffingen op dit terrein zouden alleen effectief zijn bij zeer hoge tarieven.’1
drs. M.J.J. van Amelsvoort, Staatssecretaris van Financiën,
21 februari 1991
Accijnzen zijn belastingen met een verleden. Accijnsheffing is een van de oudste vormen van belastingheffing. Accijnzen worden geheven vanaf het bestaan van geschreven bronnen en zeer waarschijnlijk al ver daarvoor.2 Bij het ontbreken van registraties met persoonlijke gegevens die het mogelijk maken inkomens en vermogens met belastingheffing te treffen, ligt het voor de hand om belastingen te heffen van voor een ieder zichtbare opbrengsten van het land, meegevoerde handelsgoederen of diensten van op een vaste plaats gevestigde ondernemers. Wat accijnzen zijn, is dan ook in hoge mate historisch bepaald en niet in ieder land hetzelfde.3
Op 12 juli 1805 wordt het ‘Plan van algemeene belastingen’ bij Staats-Besluit bekrachtigd. Met dit ‘Plan van algemeene belastingen’, naar de ontwerper ervan ook genoemd het ‘systhema-Gogel’, ofwel het eerste belastingstelsel, worden op het grondgebied dat thans het Koninkrijk der Nederlanden omvat voor het eerst op centraal niveau belastingen geheven. Gogel’s systhema ligt vast bij missive van 20 Juni 1805, n°. 17/3, van den Raadpensionaris aan Hun Hoog Mogenden, Vertegenwoordigende het Bataafsche Gemeenebest. Het ‘plan van algemeene belastingen’, dat in die missive wordt voorgedragen, wordt door Hun Hoog Mogenden op 10 juli 1805 goedgekeurd, en zoals gezegd, twee dagen daarna bekrachtigd. Het vervangt gewestelijke belastingen, uit het tijdperk van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, door een aaneensluitend geheel van algemene landsbelastingen, een vervanging waartoe sedert het jaar 1796 herhaaldelijk vruchteloze pogingen waren gedaan.4
De Staatsregeling 1798 vestigt voor het eerst een eenheidsstaat in de Nederlanden.
Vanaf dat moment kan de moderne staat in Nederland worden waargenomen. Artikel 200 van de Staatsregeling 1798 bepaalt dat er voortaan één nationale schatkist is en dat alle belastingopbrengsten nationale inkomsten zijn.5 Ingevolge artikel 201 van de Staatsregeling 1798 zijn de schulden ‘van wege der onderscheiden provinciën, de drie kwartieren van Gelderland, het Landschap Drenthe en Bataafsch Braband’ voortaan nationale schulden. Op basis van deze bepalingen komt in 1805 een voor die tijd bruikbaar systeem tot stand, ontworpen door Isaac Jan Alexander Gogel (1765-1821), de agent van Financiën (lees: minister van Financiën) onder raadpensionaris (lees: president) Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825), van de Bataafse Republiek.
Gogel brengt met zijn belastingregeling voor het eerst systeem aan in de belastingheffing, dat daardoor met recht een belastingstelsel mag heten. Het draagkrachtbeginsel is er uitdrukkelijk in vertegenwoordigd, al kan dat beginsel in die tijd zoals Gogel zelf ook aangeeft maar zeer beperkt tot gelding komen.6 Het systhema-Gogel kent zeven belastingcategorieën.7 Een van die categorieën wordt gevormd door de accijnzen. Tot deze categorie behoren acht accijnzen: de accijnzen van zout, zeep, turf, meel, bestiaal (het slachten van vee), bier, wijn en gedistilleerd.
Eeuwenlang zijn de accijnzen eenvoudige, doelmatige opbrengstgenererende belastingen, gekenmerkt door praktische inzetbaarheid, en de afwezigheid een theorie, rechtsgrond en bestedingencorrigerend karakter. Typerend is de schets die het Amsterdamse Tweede-Kamerlid Provó Kluit (1851) geeft van de kenmerkende voordelen van de accijnzen, ‘die ik niet kan voorbijzien. (…) Zij hechten zich aan voorwerpen, van welker gebruik niemand zich kan onthouden; ieder, zonder onderscheid, brengt gedurig een klein offer, dat naauwelijks wordt waargenomen, en zelfs de vreemdeling in elke gemeente brengt zijnen cijns, voor het gebruik van onderhouden wegen, en het genot van verlichting op de straat. De dagelijksche vermenigvuldiging dier talrijke onmerkbare offers geeft een zigtbaar groot totaal’.8
Accijnzen zijn algemene belastingmiddelen, hetgeen wil zeggen dat de opbrengsten van de accijnzen geen tevoren vaststaande bestemming hebben, maar rechtstreeks naar de algemene middelen vloeien.9 Accijnzen zijn belangrijk, omdat zij een aanmerkelijke bijdrage leveren aan de belastinginkomsten.10 Anno 2007 bedraagt de bijdrage van de accijnzen 14% (€ 19 miljard) aan de totale belastingontvangsten (€ 135 miljard).11