Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.6
2.2.6 Bestedingensturend en opbrengstgenererend vermogen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS299293:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3069 mk. en 53-3074 lk. KamerstukkenII 1971/72, 16 november 1971, p. 1073 rk.
Zie bijvoorbeeld: H.A. Kogels in de bundel Belastingbeschouwingen, Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. J.H. Christiaanse, met betrekking tot de harmonisatie van indirecte belastingen in Europa, Deventer: 1989, p. 304.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 117 lk. Kamerstukken II 1902/03, 98, nr. 5, p. 5-6. HandelingenII 1903/04, 16 december 1903, p. 987-989. Kamerstukken II 1904/05, 2. , p. 22 lk. Kamerstukken II 1912/13, 39, nr. 1, p. 3 lk. Kamerstukken II 1912/13, 44, nr. 1, p. 1 rk. Kamerstukken II 1920/21, 345, nr. 5, p. 5 lk. Handelingen II 1920/21, 23 december 1920, p. 1299-1306. Handelingen II 1927/28, 1 december 1927, p. 757-759 en 798-799. Handelingen II 1927/28, 2 december 1927, p. 810 lk. Kamerstukken II 1928/29, 221, nr. 3, p. 2 lk. Kamerstukken II 1929/30, 2. VIIB, nr. 8, p. 14, Bijlage A.Handelingen II 1929/30, 7 november 1929, p. 341. Kamerstukken II 1930/31, 155, nr. 4, p. 6 lk. Wet van 3 mei 1924, Stb. 227. Wet van 29 januari 1931, Stb. 25. Cnossen 1977, p. 8 en 69.
Cnossen 1977, p. 9. Kamerstukken II 1994/95, 24 250, nr. 3, p. 1. Kamerstukken II 1995/96, 24 250, nr. 13. Kamerstukken II 1995/96, 24 250, nr. 30. Kamerstukken II 1995/96, 24 525, nrs. 1-2. KamerstukkenII 1995/96, 24 250, nr. 33. Kamerstukken II 1996/97, 24 250 nrs. 34-41. Kamerstukken II 1998/99, 26 245, nr. 5, p. 8. Kamerstukken II 1993/94, 23 715, nr. 11, p. 1. Kamerstukken II 1995/96, 24 250, nr. 6, p. 12. Reugebrink 1978, p. 83-86 en 148-149.
Handelingen II 1980/81, 17 december 1980, p. 2234 mk.
Zie onder meer: Cnossen 1977, p. 14.
De accijnzen worden gelegitimeerd door hun opbrengstgenererende en hun potentieel bestedingensturende ofwel gedragsbeïnvloedende vermogen.1 Daarmee hebben zij niet alleen een budgettaire functie, maar veelal ook niet-fiscale doeleinden. Door het specifieke karakter van de accijnzen worden deze mede gebruikt ter beïnvloeding van de consumptie van bepaalde goederen, in verband met de volksgezondheid, de energiepolitiek, het milieubeleid of de transportpolitiek.2 Aan de keuze voor accijnsheffing of voor een ander fiscaal of niet-fiscaal instrument, gaat vooraf de afweging, of met de toepassing daarvan het gestelde doel met het optimum in gelijkheid en minimale marktaanpassing kan worden gerealiseerd. Zo worden accijnzen ingezet ter beheersing van het verbruik van goederen die als onzedelijk, ongezond en onveilig worden beschouwd, zoals alcoholhoudende dranken en tabaksproducten3, en ter besparing van schaarse grondstoffen tezamen met bevordering van werkgelegenheid. Deze laatste doelstelling worden met de accijnzen van energieproducten en de wateraccijnzen nagestreefd.4 Wanneer de fysieke accijnzen geen gelijke tred houden met de inflatie, gaan zij reëel, dat wil zeggen in kracht achterlopen, omdat de accijnsdruk dan afneemt.5 Deze eigenschap brengt mee, dat het niet aanpassen van de accijnstarieven leidt tot het achterblijven van de opbrengsten bij het tempo van de algemene prijsstijging en het afnemen van het bestedingensturend vermogen evenals de betekenis van de accijnzen in het geheel van het belastingstelsel.6