Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.9:2.2.9 Accijnsheffing van eerste levensbehoeften
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.9
2.2.9 Accijnsheffing van eerste levensbehoeften
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305281:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere onwennigheid valt waar te nemen bij Hofstra-Niessen (2002). Aldaar wordt gesteld, dat het dienen van nevendoeleinden met accijnzen ‘al eeuwenlang geaccepteerd’ is en dat de accijnsheffing zich ‘van oudsher’ concentreert ‘op goederen waarvan de overheid het gebruik wil afremmen’.1 Zoals verderop zal blijken is deze stelling wat al te grijs; zij zou wellicht juist zijn wanneer voor ‘eeuwenlang’ en ‘oudsher’ wordt gelezen: enkele decennia. Hoewel het ontmoedigen van onzedelijke, ongezonde, vervuilende en energieverspillende bestedingen thans onder de actuele Europese en nationale accijnswetgeving de norm is geworden, kan niet worden gezegd, dat de wetgevers in de 19e en voorgaande eeuwen met de accijnsheffing van eerste levensbehoeften hebben beoogd het gebruik van levensmiddelen te ontmoedigen. Integendeel.
Lange tijd waren eerste levensbehoeften om louter budgettaire redenen belast, omdat de heffing ervan – in de woorden van Staatsraad en directeur-generaal der Indirecte Belastingen, mr. Jean Henri Appelius (1816) – ‘onmerkbaar is voor het aanzienlijk gedeelte der bevolking, hetwelk zijn brood bij den bakker koopt’, de heffing gevolg geeft aan het beginsel dat een ieder zijn bijdrage aan de samenleving heeft te leveren, en zekere inkomsten voor de schatkist ‘het best te verwezenlijken zijn’, wanneer de wetgever (1822) ‘zijn keuze op voorwerpen bepale, welke door den aard der zaak of het algemeen volksgebruik bijna met behoefte gelijk staan’.2 Deze begin 19e eeuwse waarheid gaat nog steeds op, maar ligt politiek gevoelig.
Thorbecke (1853) beschouwt de kosten van levensonderhoud als productieve bestedingen, die niet mogen worden belast. Daarom worden de accijnzen die drukken op brood en vlees geleidelijk afgeschaft met als ratio niet menslievendheid, maar bevordering van de arbeidsproductiviteit: ‘Druk den arbeider, dwing hem zich met het meest onmisbare te vergenoegen, en gij zult zijn ijver, den lust om zijn toestand te verbeteren, uitdooven. Stel hem daarentegen tot genietingen boven zijne volstrekte behoefte in staat, en gij zult zijne kracht verhogen, zijne vlijt verdubbelen, en den grond leggen tot algemeene beschaving en zedelijke ontwikkeling der maatschappij’.3 ‘De belasting drukt op het kapitaal en niet enkel met het bedrag, dat in de schatkist vloeit, maar met meer nog, met al hetgeen waarmede de accijnsheffing den prijs der waar verhoogt. Hoe men het keere of wende, Mijnheer de Voorzitter, (en hoe redenen kunnen worden gekeerd of gewend, daarvan hebben wij al menig verrassend voorbeeld in deze discussien gezien) – de arbeider zal altijd worden getroffen, omdat het productief kapitaal, en daarmede de voortbrenging, wordt aangetast. Alle beperking der voortbrenging is ten nadeele van den arbeider. Voor hem worden derhalve de middelen om tot eenige welvaart te geraken, om zijn toestand te verbeteren, om zich te ontwikkelen, om aan zijne kinderen eene goede opvoeding te geven, besnoeid’.4
Met ‘kapitaal’ en ‘productief kapitaal’ doelt Thorbecke niet op de werkgevers, maar op de arbeidskracht van de werknemers.