Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.3
2.2.3 Betekenis en herkomst van het woord ‘accijns’
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS304033:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: G.D.L.M. Gilissen, Het begrip accijnzen, WFR 1977/697.
M. de Vries en L.A. te Winkel, Woordenboek der Nederlandsche Taal, 's-Gravenhage, Leiden, Batavia, Brussel, Gent, Kaapstad: 1882, p. 612. J.A.N. Knuttel en C.H.A. Kruyskamp, Woordenboek der NederlandscheTaal, Supplement Eerste deel, 's-Gravenhage, Leiden: 1956, p. 315. E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlands Woordenboek, ’s-Gravenhage: 1889, p. 478. Du Cange, Glossarium mediae et infimae latinitatis Domino Du Cange, Niort 1883, p. 437-440. É. Littré, Dictionnaire de la langue Française, Paris en Londres 1873, p. 30 lk. W.-H. Maigne d'Arnis, Lexicon manuale ad scriptores mediae et infimae latinitatis, Recueil de mots de la basse latinité, Parijs, p. 224-225.
Kiliaen, C., Etymologicum teutonicae linguae (ed. F. Claes s.j.). Mouton, Den Haag: 1972.
J.A.N. Knuttel, Woordenboek der Nederlandsche Taal, Derde deel, derde stuk, 's-Gravenhage, Leiden, Batavia, Kaapstad: 1920, p. 4313.
Idem, p. 437-440.
M. Bescherelle aîné, Dictionnaire national ou dictionnaire universel de la langue française, Paris: 1861, p. 42.
Stamtijden: accidere – accidi – accisus III.
Du Cange, Glossarium mediae et infimae latinitatis, Niort: 1883, p. 46 rk. en 435 lk.
Idem, p. 417.
Publius Cornelius Tacitus, Ab excessu divi Augusti (Annales), II caput 6.
G.D.L.M. Gilissen, Het begrip accijnzen, WFR 1977/697.
E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlands Woordenboek, ’s-Gravenhage: 1889, p. 478.
Het rechtskarakter van de accijnzen ligt ook verankerd in de oorsprong en de betekenis van het woord accijns.1 Dit begrip heeft zo’n eeuwenoude gevestigde betekenis, dat dit bij het gebruik ervan vanzelf het beeld oproept van bijzondere belastingen van goederen of diensten. Het vroege Latijn en het Middellatijn herbergen de oorsprongen van accijns: assidere, accidere, excidere, axis, accensus, excensus en ad census dare. Als oriëntatiepunten zijn ook van belang de laatmiddeleeuwse Franse woorden acense, accense, adcense, accence, acence, acensement, acenser, acenseur, acensie, die alle worden gebruikt in pachtverhoudingen in de betekenis van de pacht of de pachtsom van landerijen en boerderijen die in pacht worden uitgegeven en ook een vergoeding vormen voor de door cultuurgrond voortgebrachte agrarische producten.
Parallel daaraan kennen het Neolatijn en het middeleeuwse Latijn, de toenmalige bestuurderstaal: accensa, accisia en excisa.2
Uit accisia met de oorspronkelijke betekenis: belastingheffing van de opbrengsten van landerijen, dus de heffing van land-, tuin- en wijnbouwproducten, is het middeleeuws Nederlandse ‘accijs’ ontstaan. Het Middelnederlands (1150-1550) bevat de varianten: assise, assijs, assijn, assijnse, assijse3, cis, cise, cys, cyse, excys, excyse, excysen, excijs, excijns, excise, exsijs, excyse, exzijs, exchijs, exchijns.4 Tot het Oudnederlands (vóór 1150) behoort assise en assijs.5 Bronnen uit de nieuwe geschiedenis (1500-1800) tonen: acchyse, accijs, accyns, accyzen, aczyse, assijs, assyse, excijs, excijse, excyse, accijns en axcijns. De huidige schrijfwijze accijns komt voor het eerst voor in de tweede helft van de 16e eeuw.
Volgens Du Cange (1678) is de eerste betekenis van accisia: ‘Assis publicus, Pecunia publica, quae in Fiscum infertur apud Senatorem’, gemeenschapsgelden, openbare financiën, die ten overstaan van een lid van de senaat in de schatkist vloeien, en ‘Pecunia, quae in vectigal penditur’, opbrengsten van de indirecte belastingen.6
Bescherelle (1861) voert het huidige, zeer oude, Franse accise terug op accisia, hetwelk terugleidt naar accidere.7 Het werkwoord accidere betekent8: afsnijden, aansnijden, deels omhakken, een deel eraf nemen, verminderen.
De intitulé van de Accijnsrichtlijn in de Franse taalversie luidt: ‘Directive 92/12/CEE du Conseil, du 25 février 1992, relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise’. Accisia is in de 12e-13e eeuw verfranst en heeft zich via de Nederlanden naar Duitsland en naar Engeland verbreid.
Du Cange legt ook een directe verbinding tussen accisia en accidere: ‘Tallia, census, a Tailler, accidere; quia de capitali summa acciditur, domino præstanda, unde et Accisia quibusdam dicitur; et gabella, quasi munusculum, a Gabe, donum’. Hij stelt accisia gelijk met assisia en assessio: ‘Accisia dicitur pro Assisia seu Assessio, tributi impositi taxatio et peræquatio (= men zegt accisia in plaats van assisia ofwel assessio, het heffen en invorderen van directe en indirecte belastingen)’.9 De herkomst van deze woorden omvat het vroegmiddeleeuws Neolatijnse ascensa, accensa, accensatio, accensatores en het werkwoord accensare. Accensare is geassimileerd uit adcensare, ascensare. Deze drie zijn synoniem voor het Middellatijnse locare; locare heeft (onder meer) de betekenis van verpachten, verhuren of aanbesteden van vectigalia, indirecte belastingen.
De rechtshandeling die wordt verricht is de adcensatio, ascensatio of ascensuatio:
het ad Ascensam dare, ofwel de datio ad censum annuum, de locatio ad censum annuum, het jaarlijkse aanbesteden en in pacht uitgeven van indirecte belastingen. De tegenprestatie van de belastingpachter is de ascensiva, de præstatio annua ex Ascensatione persolvenda: de jaarlijks te betalen belastingpachtsom die de belastingpachter door middel van het stellen van zekerheid moest garanderen. De ascensivus, in het vroege Frans de censier, is degene die ervoor zorgt dat de belasting metterdaad bij de ingezetenen wordt opgehaald: Qui ad censum tenet.10
Tacitus (55-120) meldt in zijn Annales: ‘Igitur huc intendit: missis ad census Galliarum P. Vitellio et C. Antio, Silius et Anteius et Caecina fabricandae classi praeponuntur.
Mille naves sufficere visae properataeque: (…) insula Batavorum in quam convenirent praedicta, ob faciles adpulsus accipiendisque copiis et transmittendum ad bellum opportuna’.11
In het Nederlands: Dus begon hij (= veldheer Tiberius) de navolgende maatregelen te nemen: nadat hij Publius Vitellius en Gaius Antius naar de Gallische gebieden had gestuurd om daar belastingen te heffen, belastte hij Silius, Anteius en Caecina met de bouw van een vloot. Duizend schepen leken voldoende te zijn. (…) Het eiland van de Batavieren werd als verzamelgebied bestemd vanwege de geschikte landings-, inschepings- en uitvalsmogelijkheden.
Tiberius Claudius Nero, de latere keizer Tiberius (14-37), voert in opdracht van keizer Augustus (44 voor Christus – 14 na Christus) samen met zijn adoptiefzoon Germanicus Iulius Caesar (15 voor Christus – 19 na Christus) veldtochten uit tegen de volken in Germania, en onderwerpt het noorden van Germania (4 voor Christus), met de insula Batavorum, het eiland der Batavieren als uitvalsbasis. Deze insula Batavorum is het gebied dat thans Rotterdam-Rijnmond en de Betuwe omvat, en is destijds al zeer geschikt bevonden om de vleugels richting Midden-Europa uit te slaan. De Betuwelijn is een oude Romeinse vinding. Tacitus meldt dat deze militaire operatiën in Germania zijn gefinancierd door de Galliërs aan belastingen te onderwerpen (ad census dare).
In het oorspronkelijke accisia en accijs zetelt geen ‘n’. De letter ‘n’ is van accijns en zijn vele woordvoorgangers deel gaan uitmaken doordat de ‘n’ van de verwante fiscale begrippen census (het Nederlandse cijns) en ad census dare (= aan belasting onderwerpen) en de vele daarvan afgeleide woorden en woordsamenstellingen tezamen en dooreen met accisia en daarmee samenhangende woorden zijn gebruikt.12 Verwijs-Verdam (1889) menen dat ten onrechte een verbinding is gelegd met ‘cijns’ en de ‘n’ ten onrechte een bestanddeel van accijns is geworden.13 De woordvoorgangers van accijns waarin een ‘n’ voorkomt, hebben zonder uitzondering de betekenis van: aan directe belastingen (schattingen) onderwerpen in alle mogelijke betekenissen, het aanbesteden van indirecte belastingen en de pacht of de pachtsom van landerijen en boerderijen die in pacht worden uitgegeven of het verhuren daarvan. Deze betekenissen die in de brede sfeer van handelingen rond de heffing van directe belastingen zijn komen te liggen, zijn ver afgeraakt van de oorspronkelijk betekenis van accisia, indirecte belastingheffing. Daardoor kan de oorsprong van accijns niet liggen in census of in ad census dare, en moet, gegeven de oorspronkelijke en huidige betekenis van accijns, de conclusie zijn, dat de oorsprong van het woord accijns ligt in het werkwoord accidere, het nemen van een tevoren vastgesteld deel van een goed of dienst ten behoeve van de fiscus. Accijns is een deel van een geheel. Dat geheel is de heffingsgrondslag. Daarom is het onjuist te spreken van: de accijns op. Juist is te formuleren: de accijns van.