Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.10.7
4.10.7 Begunstigde voordeel verschaffen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298071:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 15 juni 1964, nr. 6/64, Flaminio Costa vs. Enel, Jur. 1964, p. 1141, 1161.
HvJ EG 24 juli 2003, nr. C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg vs. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, in tegenwoordigheid van Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, Jur. 2003, p. I-7747, r.o. 84. HvJ EG 27 november 2003, nrs. C-34/01 t/m C-38/01, Enirisorce SpA vs. Ministero delle Finanze (Italiaanse havengelden), Jur. 2003, p. I-14243, r.o. 30.
HvJ EG 11 juli 1996, nr. C-39/94, Syndicat français de l'Express international (SFEI) e.a. vs. La Poste e.a., Jur. 1996, p. I-3547, r.o. 60. HvJ EG 29 april 1999, nr. C-342/96, Spanje vs. EC, Jur. 1999, p. I-2459, r.o. 41 en 59. HvJ EG 8 november 2001, nr. C-143/99, Adria-Wien Pipeline GmbH, Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH vs. Finanzlandesdirektion für Kärnten (Restitutie energieheffingen I), Jur. 2001, p. I-08365, r.o. 40.
HvJ EG 7 februari 1985, nr. 240/83, Procureur de la République vs. Association de Défense des Brûleurs d'Huiles Usagées (ADBHU), Jur. 1985, p. 531, r.o. 3, laatste volzin, en 18. HvJ EG 22 november 2001, nr. C-53/00, Ferring SA vs. Agence centrale des organismes de sécurité sociale (ACOSS), Jur. 2001, p. I-9067, r.o. 27. HvJ EG 24 juli 2003, nr. C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg vs. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, in tegenwoordigheid van Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, Jur. 2003, p. I-7747, r.o. 87.
HvJ EG 24 juli 2003, nr. C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg vs. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, in tegenwoordigheid van Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, Jur. 2003, p. I-7747, r.o. 88-95.
De derde Altmark-voorwaarde is, dat de maatregel de begunstigde een voordeel moet verschaffen. Als steun worden beschouwd de maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen1 of die naar hun effect zijn te beschouwen als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen.2 De levering van energie tegen preferentiële voorwaarden aan ondernemingen die stoffelijke goederen produceren kan een steunmaatregel vormen.3 Een vergoeding voor een bedongen tegenprestatie, vormt geen steunmaatregel, maar is een prijs voor die tegenprestatie, waardoor geen voordeel in de zin van het staatssteunverbod wordt genoten en de regeling dus niet tot gevolg heeft dat bepaalde ondernemingen vergeleken met ondernemingen die met hen concurreren in een gunstiger mededingingspositie worden geplaatst en niet binnen de werkingssfeer van het staatssteunverbod valt.4
In geval van een openbaredienstverplichting moet de begunstigde onderneming daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van een dergelijke verplichting en moet die verplichting duidelijk omschreven zijn. De vergoeding moet op een transparante wijze zijn vastgesteld om te voorkomen, dat deze toch een economisch voordeel bevat waardoor de begunstigde onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen kan worden bevoordeeld. Zo vormt de vergoeding door een lidstaat van door een onderneming geleden verliezen zonder die transparantie, toch staatssteun, als achteraf blijkt dat de verrichtingen niet economisch levensvatbaar waren. De vergoeding mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, geheel of gedeeltelijk te dekken.
Deze voorwaarde waarborgt dat de begunstigde onderneming geen voordeel wordt toegekend die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen doordat de mededingingspositie van die onderneming wordt versterkt.5