Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.10.8
4.10.8 Begunstiging bepaalde ondernemingen of producten
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305314:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 1 december 1998, nr. C-200/97, Ecotrade Srl vs. Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS), Jur. 1998, p. I-7907, r.o. 40. GvEA EG 23 oktober 2002, nrs. T-346/99, T-347/99 en T-348/99, Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava, Territorio Histórico de Guipúzcoa – Diputación Foral de Guipúzcoa en Territorio Histórico de Vizcaya – Diputación Foral de Vizcaya vs. EC, Jur. 2002, p. II-04259, r.o. 144. GvEA EG 29 september 2000, nr. T-55/99, Confederación Española de Transporte de Mercancías (CETM) vs. EC, Jur. 2000, p. II-3207, r.o. 39.
HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-75/97, België vs EC (Maribel), Jur. 1999, p. I-3671, r.o. 32.
HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-75/97, België vs EC (Maribel), Jur. 1999, p. I-3671, r.o. 33. HvJ EG 8 november 2001, nr. C-143/99, Adria-Wien Pipeline GmbH en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH vs. Finanzlandesdirektion für Kärnten (Restitutie energieheffingen I), Jur. 2001, p. I-8365, r.o. 42.
GvEA EG 6 maart 2002, nrs. T-127/99, T-129/99 en T-148/99, Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava (T-127/99), Comunidad Autónoma del País Vasco en Gasteizko Industria Lurra, SA (T-129/99) en Daewoo Electronics Manufacturing España, SA (T-148/99) vs. EC, Jur. 2002, p. II-01275, r.o. 164.
HvJ EG 8 november 2001, nr. C-143/99, Adria-Wien Pipeline GmbH en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH vs. Finanzlandesdirektion für Kärnten (Restitutie energieheffingen I), Jur. 2001, p. I-8365, r.o. 53.
HvJ EG 1 december 1998, nr. C-200/97, Ecotrade Srl vs. Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS), Jur. 1998, p. I-07907, r.o. 34. HvJ EG 26 september 1996, nr. C-241/94, Frankrijk vs. EC, Jur. 1996, p. I-4551, r.o. 23 en 24.
HvJ EG 7 juni 1988, nr. 57/86, Griekenland vs. EC, Jur. 1988, p. 2855, r.o. 10.
HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-75/97, België vs EC (Maribel), Jur. 1999, p. I-3671, r.o. 28-31.
HvJ EG 29 april 2004, nr. C-308/01, Gil Insurance Ltd, UK Consumer Electronics Ltd, Consumer Electronics Insurance Co. Ltd, Direct Vision Rentals Ltd, Homecare Insurance Ltd, Pinnacle Insurance plc vs. Commissioners of Customs & Excise (verhoogd tarief op bepaalde verzekeringsovereenkomsten – Staatssteun), Jur. 2004, p. I-4777, r.o. 68.
HvJ EG 2 juli 1974, nr. 173/73, Italië vs. EC, Jur. 1974, p. 709, r.o. 33. HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-75/97, België vs EC (Maribel), Jur. 1999, p. I-3671, r.o. 33.
HvJ EG 15 december 2005, nr. C-66/02, Italië vs. EC, Jur. 2005, p. I-10901, r.o. 99. HvJ EG 15 december 2005, nr. C-148/04, Unicredito Italiano SpA vs. Agenzia delle Entrate, Ufficio Genova 1 (belastingvoordelen voor banken), Jur. 2005, p. I-11137, r.o. 49.
HvJ EG 17 september 1980, nr. 730/79, Philip Morris Holland BV vs. EC, Jur. 1979, p. 2671, r.o. 11.
HvJ EG 15 maart 1994, nr. C-387/92, Banco de Crédito Industrial SA, thans Banco Exterior de España SA vs. Ayuntamiento de Valencia, Jur. 1994, p. I-877, r.o. 14. HvJ EG 10 januari 2006, nr. C-222/04, Ministero dell’Economia e delle Finanze vs. Cassa di Risparmio di Firenze SpA, Fondazione Cassa di Risparmio di San Miniato, en Cassa di Risparmio di San Miniato SpA (Staatssteun – vermindering van directe belasting over door bancaire stichtingen ontvangen dividenden), Jur. 2006, p. I-289, r.o. 132.
HvJ EG 21 maart 1990, nr. C-142/87, België vs. EC (Tubemeuse), Jur. 1990, p. I-959, r.o. 26.
HvJ EG 19 september 2000, nr. C-156/98, Duitsland vs. EC, Jur. 2000, p. I-6857, r.o. 30.
HvJ EG 13 juli 1988, nr. 102/87, Frankrijk vs. EC, Jur. 1988, p. 4067, r.o. 19.
HvJ EG 3 maart 2005, nr. C-172/03, Wolfgang Heiser vs. Finanzamt Innsbruck (herziening van de btw-aftrek), Jur. 2005, p. I-1627, r.o. 59.
HvJ EG 10 december 1969, nrs. 6/69 en 11/69, EC vs. Frankrijk (Export credits rediscount rate), Jur. 1969, p. 523, r.o. 21.
HvJ EG 19 mei 1999, nr. C-6/97, Italië vs. EC, Jur. 1999, p. I-02981, r.o. 21.
HvJ EG 21 mei 1980, nr. 73/79, EC vs. Italië (surcharge on sugar Sovraprezzo), Jur. 1980, p. 1533, r.o. 11.
HvJ EG 8 november 2001, nr. C-143/99, Adria-Wien Pipeline GmbH, Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH vs. Finanzlandesdirektion für Kärnten (Restitutie energieheffingen I), Jur. 2001, p. I-08365, r.o. 50-54.
De Aziende (enkelvoud: Azienda) zijn openbare economische instellingen, die onder toezicht van het Ministero della marina mercantile (Ministerie van Koopvaardij) staan. Zij zijn belast met het beheer van de mechanische voorzieningen voor laden en lossen, de opslagruimtes alsmede de andere roerende en onroerende goederen van de Staat die bestemd zijn voor de goederenhandel.Ook zijn zij belast met de aankoop, het onderhoud, het transformeren en de verbetering van de goederen die zij beheren alsmede met de uitoefening van iedere andere activiteit in verband met de voorgaande activiteiten.
HvJ EG 24 juli 2003, nr. C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg vs. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, in tegenwoordigheid van Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, Jur. 2003, p. I-7747, r.o. 92.
HvJ EG 27 november 2003, nrs. C-34/01 t/m C-38/01, Enirisorce SpA vs. Ministero delle Finanze (Italiaanse havengelden), Jur. 2003, p. I-14243, r.o. 36-40.
De vierde Altmark-voorwaarde is, dat alle maatregelen van de lidstaten of maatregelen met staatsmiddelen bekostigd waardoor bepaalde ondernemingen, een bepaalde bedrijfstak dan wel bepaalde goederen worden begunstigd ten gevolge waarvan mededingingsverhoudingen kunnen worden verstoord, verboden staatssteun zijn. Dit vierde element is objectief van aard. De vraag of sprake is van specifieke of selectieve steun zal telkens aan de hand van de feitelijke omstandigheden moeten worden beoordeeld.
Het specifieke of selectieve karakter van een maatregel is een van de kenmerken van het steunbegrip.1 De omvang van het aantal begunstigde ondernemingen noch de verscheidenheid en het belang van de sectoren waartoe deze ondernemingen behoren, kunnen grond zijn om een overheidsinitiatief als algemene maatregel van economische politiek te beschouwen2, maar een regeling die gerechtvaardigd wordt door de aard of de algemene opzet van het stelsel waarvan deze deel uitmaakt, voldoet niet aan het criterium van selectiviteit, zelfs niet indien de begunstigden erdoor worden bevoordeeld.3 Rechtvaardiging op basis van de aard of de opzet van het belastingstelsel verwijst naar de samenhang van een belastingmaatregel met de interne logica van het belastingstelsel in het algemeen.4 Dat belastingregelingen aan objectieve criteria en voorwaarden voldoen, brengt nog niet mee, dat beperking van de kring van begunstigden van het betrokken belastingvoordeel, dus de selectiviteit, gerechtvaardigd zou zijn door de interne logica van een belastingstelsel.5
Relevant zijn specifieke belastingdifferentiaties die bedrijven, een bedrijfstak of bepaalde bedrijfstakken selectief bevoordelen door middel van productiesteun6, meer concreet: vermindering van investerings-, productie- en afzetlasten. Niet van belang is of de situatie van de veronderstelde begunstigde van de belastingdifferentiatie vergeleken met de voordien bestaande situatie beter of slechter is geworden of juist in de loop van de tijd niet is gewijzigd.7 Er behoeft alleen te worden vastgesteld of een overheidsmaatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling bepaalde ondernemingen of bepaalde producties kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstelling van de betrokken maatregel.8 Wanneer dat het geval is, voldoet de betrokken maatregel aan de voorwaarde van selectiviteit die bepalend is voor het begrip staatssteun in deze bepaling.9 Een belastingdifferentiatie voldoet niet aan deze selectiviteitsvoorwaarde indien deze, hoewel de begunstigde erdoor wordt bevoordeeld, gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van het stelsel waarvan hij deel uitmaakt.10
Steun aan bepaalde bedrijven of (de productie van) bepaalde goederen houdt in dat de ondernemingslasten van die bedrijven worden verlicht. Selectieve steun, overheidshulp of subsidies zijn prestaties in geld of in natura ter ondersteuning van een bepaalde onderneming of ondernemingen in aanvulling op de prijs die de afnemers van de door die onderneming of ondernemingen voortgebrachte goederen of diensten verschuldigd zijn. De ondersteuning wordt dan kennelijk verleend voor een bepaald doel, dat in het algemeen zonder assistentie van buitenaf niet zou kunnen worden gerealiseerd. Omdat deze maatregelen niet van toepassing zijn op alle marktdeelnemers, kunnen zij niet worden aangemerkt als algemene maatregelen van fiscaal of economisch beleid.11 Wanneer financiële steun van een lidstaat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer worden geacht door de steun te worden beïnvloed.12 Een maatregel waarbij een overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigde ondernemingen verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, is bijgevolg als een steunmaatregel van de staat aan te merken.13 Om uit te maken, of financiële bijdragen van een lidstaat aan een onderneming het karakter van staatssteun hebben, is toepassing de mogelijkheid voor de betrokken onderneming om de betrokken bedragen op de kapitaalmarkt te verkrijgen ook ter zake dienend.14
Het steunregime omvat met name maatregelen die, in verschillende, dus ook in fiscale varianten voorkomend, verlichting brengen in de bedrijfslasten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor van gelijke aard zijn en tot dezelfde gevolgen leiden. Steun die is bedoeld om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten moet dragen, kan de mededingingsverhoudingen vervalsen.15 Aangezien dergelijke selectieve begunstigingen kunnen leiden tot verstoringen van bestaande concurrentieverhoudingen, vindt toetsing aan het staatssteunverbod plaats, immers wanneer een lidstaat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse productie in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om hun producten op de markt van die lidstaat te verhandelen, afnemen. Een dergelijke steunmaatregel kan bijgevolg het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen.16 In het Heiserarrest (2005) heeft het HvJ EG beslist, dat een regeling die voor artsen de lasten wegneemt van de herziening van btw wegens de overgang van het verrichten van belaste prestaties naar vrijgestelde prestaties met betrekking tot in de artsenpraktijk blijvend in gebruik zijnde goederen, moet worden aangemerkt als staatssteun.17
De omstandigheid dat een lidstaat via autonome maatregelen de mededingingsvoorwaarden van een bepaalde bedrijfstak sector tracht aan te passen aan die welke in andere lidstaten heersen, ontneemt aan die maatregelen niet het steunkarakter.18
Dergelijke maatregelen moeten aanleiding zijn te onderzoeken of deze negatieve gevolgen hebben voor de in andere lidstaten gevestigde concurrenten van de begunstigden die voor eigen rekening dan wel voor rekening van derden werken.19
Indien de EC na onderzoek tot de slotsom komt, dat een maatregel niet strijdig is met het staatssteunverbod, kan die maatregel overigens nog wel in strijd blijken met het fiscaal discriminatieverbod. In dat geval mag de betrokken regeling niet gehandhaafd worden, ook al heeft de EC met de (steun)maatregel ingestemd.20
Oostenrijk heft accijnzen van aardgas en elektriciteit. De belasting wordt geheven ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit, behalve aan elektriciteitsbedrijven, het verbruik van aardgas en elektriciteit door elektriciteitsbedrijven en het verbruik van aardgas en elektriciteit die door de verbruiker zelf is opgewekt of in het geografische toepassingsgebied van de heffing is ingevoerd. De accijnzen worden afgewenteld op de uiteindelijke afnemer. In 1996 werden deze accijnzen op verzoek deels gerestitueerd voor zover zij tezamen 0,35% van de nettoproductiewaarde van de energieverbruiker overschrijden. Voor deze restitutie kwamen alleen in aanmerking ondernemingen die goederen produceren. Restitutieverzoeken van ondernemingen die diensten verrichten, zijn afgewezen. Dit was het geval bij Adria-Wien Pipeline GmbH, die zich met name bezighoudt met de bouw en exploitatie van oliepijpleidingen.
In het arrest-Restitutie energieheffingen I (2001) heeft het HvJ EG in deze kwestie beslist, dat sprake is van een ongeoorloofde steunmaatregel. Ook ondernemingen die diensten leveren kunnen grote energieverbruikers zijn die meer dan 0,35% van de nettoproductiewaarde aan energieaccijnzen moeten voldoen. Overwegingen van milieubescherming die aan de Oostenrijkse belastingregeling ten grondslag liggen, rechtvaardigen niet dat het verbruik van aardgas of elektriciteit door ondernemingen uit de dienstensector anders wordt behandeld dan het gebruik ervan door ondernemingen die stoffelijke goederen produceren. Dit onderscheid is, hoewel objectief, noch door de aard, noch door de opzet van de regeling, gerechtvaardigd, zodat het aan de betwiste maatregel niet het karakter van staatssteun kan ontnemen. Daarnaast is bovendien nog gebleken, dat de restitutie was bedoeld om het concurrentievermogen van de begunstigden binnen de Gemeenschap te waarborgen.21
Italië heft sedert 1967 een accijns van het laden en lossen van goederen, over zee of door de lucht binnengevoerd in Italiaanse havens. Tweederde van de accijnsopbrengst wordt toebedeeld aan het havenbedrijf Aziende22 ten behoeve van diens dienstverlening aan scheepvaartmaatschappijen in de havens, en éénderde aan de algemene middelen van de Italiaanse overheid. De havendienstenaccijns wordt niet verminderd wanneer een scheepvaartmaatschappij geen gebruik maakt van havendiensten. De toedeling van het tweederde deel aan de Aziende, dat bovenop de door de Aziende toegepaste tarieven komt, is nodig om deze tarieven op een voor de marktdeelnemers aanvaardbaar niveau te houden. Bovendien maakt een dergelijke toedeling het mogelijk dat de betrokken havens in werking kunnen worden gehouden. Volgens het HvJ EG in het Enirisorce-arrest (2003) geeft het bedrag van de afdracht aan de Aziende niet de kosten weer die de Aziende daadwerkelijk hebben gemaakt voor het verlenen van laad- en losdiensten, maar wel dat dit bedrag is gerelateerd aan de omvang van de goederen die alle gebruikers in de betrokken havens hebben vervoerd en begeleid.
Omdat het betaalde bedrag aldus afhangt van de mate van bedrijvigheid in de betrokken haven of havens, beantwoordt dit financieringssysteem niet aan het vereiste dat de afdracht niet hoger mag zijn dan nodig is om de kosten van de verlening van de openbare diensten door de Aziende, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, geheel of gedeeltelijk te dekken.23 Het HvJ EG besliste dat wanneer een maatregel waarbij een lidstaat een aanzienlijk deel van een belasting, zoals de Italiaanse havendienstenaccijns, toebedeelt aan een openbare onderneming, niet is gerelateerd aan een duidelijk omschreven taak van openbaredienstverlening of de vier hierboven behandelde toepassingsvoorwaarden ter zake van staatssteun niet in acht worden genomen, een dergelijke maatregel als staatssteun moet worden beschouwd, voor zover hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Wanneer dergelijke steun niet is aangemeld, is het aan de nationale rechter om overeenkomstig het nationale recht alle noodzakelijke maatregelen te nemen om zowel de afdracht van de belastingopbrengst aan de begunstigde ondernemingen als de heffing te beëindigen. De eventuele onrechtmatigheid van de heffing en van de toedeling van een deel van de belasting, betreft enkel het deel van de opbrengst van de belasting dat aan de betrokken openbare onderneming wordt betaald en strekt zich niet tot het volle bedrag van de belastingregeling.24