Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/5.3
5.3 Geïsoleerde uitoefening van het eigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS402008:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 39.1.
Zo ook Van Lier 1892, p. 38, G. de Grooth, Koop en verkoop op afbetaling en huurkoop, ’s-Gravenhage: Jongbloed 1936, p. 101 en Mezas 1985, p. 13. Anders: Hemsing 1892, p. 76-77, Scholten 1906, p. 93, Schoordijk 1971, p. 460 (die evenwel de lege ferenda samenloop tussen ontbinding en uitoefening bepleit), Vriesendorp 1985a, p. 65 en p. 69, Brahn 1991, p. 134-136, Reehuis 2013, nr. 87 en Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 38.3, die allen aannemen dat een dergelijke opeisingsbevoegdheid, ook zonder ontbinding, immanent is aan het eigendomsvoorbehoud.
Vgl. Blomeyer 1968, p. 2120-2121.
Zie ook hiervoor in hoofdstuk 4, paragraaf 4.8.4.
Zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.4.5.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 515, Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 9, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 56 en Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 58. Zie voor het Duitse recht Raiser 1961, p. 31, Serick 1963, p. 415-416, Soergel/Henssler 2002, Anh zu § 929 BGB, Rn. 93 en 95, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 837 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 85. Een nieuwere stroming in de Duitse literatuur neemt daarentegen aan dat het Anwartschaftsrecht van de koper kausalunabhängig is, zodat ontbinding niet tot gevolg heeft dat het Anwartschaftsrecht tenietgaat, aangezien deze verbintenisrechtelijke inslag zich niet zou verdragen met het Abstraktionsprinzip. Deze gedachte is ook voor het Duitse recht onjuist, omdat zij te veel gewicht toekent aan het Abstraktionsprinzip en miskent dat de verbintenisrechtelijke inslag een noodzakelijk gevolg is van de verstrengeling van de prestaties via de voorwaarde (zie nader hoofdstuk 8, paragraaf 8.4.5). Onduidelijk blijft in deze benadering bovendien op welke wijze het Anwartschaftsrecht wÉl kan worden beëindigd. Soms wordt aangenomen dat het tekortschieten van de koper aan de verkoper de bevoegdheid geeft om de dingliche Einigung te herroepen, waardoor het Anwartschaftsrecht alsnog ten val zou worden gebracht. Zo bijv. Marotzke 1986, p. 512 en Rinke 1998, p. 170. Per saldo lopen einde van het Anwartschaftsrecht en beëindiging van de koopovereenkomst daarmee alsnog parallel, terwijl bovendien het door de auteurs nagestreefde doel niet wordt bereikt, omdat het tekortschieten van de koper nog altijd gevolgen kan hebben voor het voortbestaan van het Anwartschaftsrecht. Met deze alternatieve benadering is dan ook niet veel gewonnen. Zij komt bovendien in strijd met onherroepelijkheid van de Einigung na de levering (zie daarover bijv. BGB-RGRK/Pikart 1979,§ 929 BGB, Rn. 53 en 64, Erman/Michalski 2011, § 929-931 BGB, Rn. 5 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 42). Soms wordt aangenomen dat de verkoper het Anwartschaftsrecht helemaal niet meer ten val kan brengen nadat derden aanspraken ten aanzien van dat recht hebben verworven, zodat de verkoper per saldo zijn voorbehouden eigendomsrecht verliest. Zo bijv. Wieling 2006, p. 813-815. Dat komt regelrecht in strijd met de strekking van het eigendomsvoorbehoud, dat de verkoper nu juist een goederenrechtelijke aanspraak bij ontbinding verleent.
Reehuis 2013, nr. 85.
De noodzaak van ontbinding van de koopovereenkomst voorafgaand of gelijktijdig met de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud is hiervoor afgeleid uit de wettelijke regels die de wederkerige overeenkomst in het algemeen en de koopovereenkomst in het bijzonder beheersen. Aangezien deze regels van regelend recht zijn en de omvang van het gebruiksrecht zodoende in afwijking van de wettelijke regels in de koopovereenkomst kan worden beperkt, kunnen partijen in afwijking van het voorgaande vanzelfsprekend overeenkomen dat de verkoper de zaak ook zonder gelijktijdige ontbinding kan opeisen.
Beide partijen kunnen belang hebben bij een zodanige geïsoleerde uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. De verkoper kan er belang bij hebben de zaak tijdelijk terug te nemen om de koper onder druk te zetten, te voorkomen dat de zaak door verder gebruik in waarde daalt of om eigendomsverlies te voorkomen. Ook kan de verkoper belang hebben bij instandhouding van de koopovereenkomst, omdat hij daarmee derden de mogelijkheid laat om de verschuldigde tegenprestatie te voldoen, als gevolg waarvan hij alsnog wordt voldaan en – hetgeen voor de derde van belang kan zijn – het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van de koper uitgroeit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht. Een terugnamebeding kan echter ook in het belang van de koper zijn. Als de koopovereenkomst bij terugname van de zaak in stand blijft, heeft de koper de mogelijkheid om zijn verzuim te zuiveren, waardoor hij alsnog de eigendom van de zaak kan verwerven.1 Door het overeenkomen van een dergelijk opeisingbeding is het dus mogelijk het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen zonder dat daarvoor ontbinding van de koopovereenkomst is vereist. Zoals hiervoor is betoogd, heeft de verkoper een zodanige bevoegdheid bij gebreke van een dergelijk opeisingsbeding echter niet.2
Het belang van de mogelijkheid om de verkochte zaak op te vorderen bij instandhouding van de koopovereenkomst moet echter niet worden overschat.3 Zij vervult slechts een functie in het geval dat de koper in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie, maar wel te verwachten is dat hij in de toekomst in staat is om de verschuldigde prestatie alsnog te voldoen. Indien de koper dan alsnog niet in staat blijkt om zijn betalingsverplichtingen na te komen, heeft de eerdere terugneming de verkoper kunnen behoeden voor een verdere waardedaling of eigendomsverlies.
Het verdient opmerking dat de geïsoleerde uitoefening van het eigendomsvoorbehoud niet leidt tot het tenietgaan van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van de koper. De terugname van de verkochte zaak maakt namelijk niet de levering van artikel 3:91 BW ongedaan,4 die heeft geleid tot de verkrijging van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde door de koper. Zoals in hoofdstuk 8 nader aan de orde komt, gaat dit voorwaardelijk eigendomsrecht pas teniet als de vervulling van de voorwaarde onmogelijk wordt.5 Daarvan is pas sprake indien het niet meer mogelijk is om de verschuldigde tegenprestatie te voldoen, hetgeen pas aan de orde is indien de koopovereenkomst wordt ontbonden.6 Aangezien dit eigendomsrecht nog altijd door voldoening van de verschuldigde tegenprestatie kan uitgroeien tot de onvoorwaardelijke eigendom, dient de verkoper ervoor zorg te dragen dat de verkochte zaak ook als zodanig identificeerbaar aanwezig is bij de verkoper. Anders dan Reehuis betoogt,7 kan de verkoper er bij soortzaken dan ook niet mee volstaan een zaak van dezelfde soort ter beschikking te houden voor de koper, omdat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde slechts betrekking heeft op de daadwerkelijk aan hem verkochte en geleverde zaak. Slechts ten aanzien van die specifieke zaak bewerkstelligt de vervulling van de voorwaarde dat de koper onvoorwaardelijk eigenaar wordt.