Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.7.6:II.5.7.6 Doorwerking van de redelijke termijn-eis
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.7.6
II.5.7.6 Doorwerking van de redelijke termijn-eis
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag naar de doorwerking van de redelijke termijn-eis leek vrij eenvoudig beantwoord te kunnen worden. Voor zover het gaat om de redelijke termijn-eis, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, is die doorwerking rechtstreeks aangezien sprake is van directe toepasselijkheid van die eis op de bestuurlijke voorprocedures en schending van die eis ook consequenties met zich brengt. Bovendien is de ratio van de eis hetzelfde voor het bestuur in de bestuurlijke voorprocedures en de rechter. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid dient er sprake te zijn van voortvarende besluitvorming en rechtspraak. De doorwerking van de redelijke termijn-eis is echter in zeker opzicht beperkt. De redelijke termijn-eis uit artikel 6 EVRM is namelijk niet van toepassing op alle bestuursrechtelijke geschillen. Dat wordt weliswaar ondervangen door een nationale ongeschreven rechtsbasis aan te nemen, in de vorm van het algemene rechtszekerheidsbeginsel (dan wel een andere grondslag). Er kan echter thans uitsluitend een aanspraak voor schadevergoeding op de redelijke termijn-eis uit artikel 6 EVRM worden gebaseerd, indien daarna een procedure bij de bestuursrechter is gestart. Onduidelijk is nog of deze redelijke termijneis, op grond van een ongeschreven nationale rechtsbasis, ook geldt voor de bestuurlijke voorprocedures die niet gevolgd worden door een procedure bij de bestuursrechter. De doorwerking van de redelijke termijn-eis en de invloed ervan lijkt derhalve in dit opzicht toch nog indirect te zijn en plaats te vinden via de koppeling met de toegang tot de bestuuursrechter. Het nationale decisiebeginsel, als beginsel van behoorlijke rechtspleging waarvan de redelijke termijn onderdeel uitmaakt, speelt in deze ontwikkelingen geen rol van betekenis.
Onder invloed van de redelijke termijn-eis uit artikel 6 EVRM is de afgelopen jaren echter steeds meer aandacht in de doctrine voor het belang van naleving van termijnen door het bestuur ontstaan. De ontwikkelingen duiden op erkenning van een afzonderlijke rechtsnorm voor het bestuur. De invloed van artikel 6 EVRM in dit opzicht reikt derhalve verder dan uitsluitend de toepasselijkheid van die vereisten en de noodzaak om daaraan te voldoen op nationaal niveau. Een equivalent beginsel van de redelijke termijn als rechtsnorm voor het bestuur, al dan niet als onderdeel van het zorgvuldigheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel, is echter nog niet algemeen erkend. Om de hiervoor genoemde redenen is de erkenning van een afzonderlijk beginsel wel wenselijk. De onderliggende grondslag en ratio van een redelijke termijn-eis voor het bestuur valt dan vanzelfsprekend nog steeds te herleiden tot het algemene rechtszekerheidsbeginsel. Uiteindelijk vormt de eis van besluitvorming of rechtspraak binnen een redelijke termijn altijd een uitwerking of specificatie van dat algemene rechtszekerheidsbeginsel. Erkenning van een afzonderlijke norm voor het bestuur sluit echter aan bij de ontwikkelingen in de doctrine en is ook nodig gelet op de ontwikkelingen in de rechtspraak.
Op nationaal niveau bestaat tevens effectief redres tegen schendingen van de redelijke termijn door bestuursorganen in de zin van artikel 13 EVRM. Bovendien zijn er op nationaal niveau wijzigingen doorgevoerd die beogen de rechtsbescherming tegen traag bestuur effectiever te maken. Aanleiding daarvoor was echter niet zozeer artikel 6 en 13 EVRM, maar meer algemeen de discussie over de effectiviteit van bestaande rechtsmiddelen. Die discussie en de aandacht voor deze kwesties is natuurlijk ook beïnvloed door de ontwikkelingen in het kader van die verdragsbepalingen. Aan de schendingen van de redelijke termijn door het bestuur worden in het algemeen consequenties verbonden en die schendingen worden ook voldoende geredresseerd in het licht van artikel 13 EVRM. Er kan schadeplichtigheid bestaan en schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM leidt in de meeste gevallen tot de vernietiging van het besluit op bezwaar.