Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.2.2.3
7.2.2.3 Grondrechten
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955575:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 19 januari 1994, ECLI:NL:RBAMS:1994:AK2254, IER 1994/5 (Volkskrant/Stichting Beeldrecht); HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1845, AA 1997, p. 640, m.nt. H. Cohen Jehoram, IER 1995/41, NJ 1995/682, m.nt. J.H. Spoor (Dior/Evora); Hof Amsterdam 8 juli 1999, AMI 1999, p. 116, Mf 1999/44, m.nt. D.J.G. Visser (Anne Frank Fonds/Het Parool).
Hof Den Haag 4 september 2003 ECLI:NL:GHSGR:2003:AI5638, AMI 2003/18, m.nt. P.B. Hugenholtz; BIE 2004/57, m.nt. A.A. Quaedvlieg, Computerrecht 2003, p. 350, m.nt. K.J. Koelman, NJ 2003/664, IER 2003/69, m.nt. F.W. Grosheide, Mf 2003, p. 341, m.nt. D.J.G. Visser (Scientology/Spaink), rov. 7.9-8.4.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel); HvJ EU 15 september 2016, C-484/14, ECLI:EU:C:2016:689 (McFadden); HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe).
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841, NJ 2015/183, SEW 2015/108 (GeenStijl/Sanoma), rov. 5.2.5, onder verwijzing naar: HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended); HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel); EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD003676908 (Ashby Donald).
Zie o.m. Rb. Amsterdam 16 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3517 en Hof Amsterdam 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:395, AMI 2018/14, m.nt. J.J.C. Kabel (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting); Rb. Amsterdam 10 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3590, AMI 2015/7, m.nt. M.M.M. van Eechoud en Hof Amsterdam 21 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:523 (Pictoright/Stadsarchief Rotterdam); Rb. Amsterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9312, IER 2017/5, m.nt. C.F.M. de Vries (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting & KNAW); Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.51; Rb. Den Haag 25 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:555, IER 2017/36 (Naturalis), rov. 4.29; Rb. Amsterdam 19 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2353 (Stichting Laat Ondertitels Vrij/Stichting Brein), rov. 4.4.
Zie o.m. Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 384-386; M. Kingma, IEF 18625; Geerts, IEF 18736; Visser, AA 2019, p. 887; Kulk & Teunissen, AMI 2019, afl. 4, p. 121-132 en AMI 2019, afl. 5, p. 153-154.
Vgl. Kulk & Teunissen, AMI 2019, afl. 5, p. 153; Snijders & Van Deursen, NTER 2020, afl. 1/2, p. 48-49.
Rb. Amsterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9312 (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting & KNAW), rov. 4.8-4.9.
Kulk & Teunissen, AMI 2019, afl. 4, p. 132 en AMI 2019, afl. 5, p. 153-154; Geerts & Verschuur 2022, nr. 32 en 591. Kennelijk anders: Geerts, IEF 18736, Visser, AA 2019, p. 887.
Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 395.
Zie immers HvJ EU 29 juli 2019, C-469/19, ECLI:EU:C:2019:623 (Funke Medien); HvJ EU 29 juli 2019, C-476/17, ECLI:EU:C:2019:624 (Pelham); HvJ EU 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625 (Spiegel Online).
Zie par. 6.5.2.1.
Vgl. Hof Amsterdam 19 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4019, Computerrecht 2014/39 (GeenStijl/Sanoma), waarin het hof het recht op vrijheid van meningsuiting voorop lijkt te stellen, maar tegelijkertijd overweegt dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden aanvaard dat de bescherming van dit grondrecht een inbreuk op het auteursrecht van een ander rechtvaardigt (rov. 2.5.5).
De laatste afwijzingsgrond die in deze bespreking aan de orde komt, is het beroep op een grondrecht. Voordat het Handvest bindende kracht kreeg, bleef het bij enkele uitzonderlijke gevallen waarin de rechter het belang van de rechthebbende bij een verbod afwoog tegen de bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM).1 Van die gevallen springt het arrest Scientology/Spaink het meest in het oog. Het gerechtshof Den Haag oordeelde in die zaak dat “denkbaar is dat er bijzondere gevallen zijn waarin de handhaving van het auteursrecht, zoals een inbreukverbod, moet wijken voor de informatievrijheid”. Na te hebben vastgesteld dat een dergelijke bijzonderheid zich voordeed, concludeerde het hof tot afwijzing van het gevorderde verbod en de ingestelde nevenvorderingen.2
De uitspraak in Scientology lijkt inmiddels achterhaald door de rechtspraak van het Hof van Justitie. Daaruit volgt immers dat de rechter (de handhaving van) het auteursrecht niet eenzijdig moet toetsen aan het recht op vrijheid van meningsuiting, maar dat grondrecht moet afwegen tegen het recht op intellectuele eigendom.3 Illustratief is in dat verband het arrest GeenStijl/Sanoma, waarin de Hoge Raad overwoog:
“(…) dat de rechter, indien een daarop gericht verweer wordt gevoerd, dient te onderzoeken of in het concrete geval de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht afstuit op een ander grondrecht. Weliswaar dient reeds bij de totstandbrenging van regelgeving betreffende intellectuele eigendom een juist evenwicht tussen de diverse grondrechten te worden verzekerd, maar dat laat onverlet dat ook de rechter in een hem voorgelegd geschil, indien de stellingen van de aangesproken partij daartoe aanleiding geven, dient te onderzoeken of in de omstandigheden van het geval bij toewijzing van de gevraagde maatregel, gelet op het beginsel van proportionaliteit, niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan het grondrecht waarop de aangesproken partij zich beroept.”4
Sinds het arrest van de Hoge Raad kwam het in enkele zaken tot een concrete afweging tussen het belang van de rechthebbende bij toewijzing van het verbod en de nadelige gevolgen ervan voor een door de gedaagde ingeroepen grondrecht.5 In de literatuur bleef evenwel onenigheid bestaan over de vraag of het inroepen van een grondrecht door de inbreukmaker kan resulteren in een afwijzing van een verbod.6 Zoals in het vorige hoofdstuk aan de orde kwam, bestaat voor een dergelijk oordeel in mijn ogen slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte.
De grenzen van het toelaatbare lijken in ieder geval bereikt wanneer een grondrecht wordt ingeroepen als substituut voor een materiële exceptie.7 Dit voert tot de conclusie dat de in het Scientology-arrest gekozen weg niet langer begaanbaar is. Datzelfde geldt in mijn ogen voor de route die de rechtbank Amsterdam aflegde in Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting & KNAW. Ondanks dat de Stichting en het KNAW in die zaak geen beroep konden doen op een materieelrechtelijke exceptie, overwoog de rechtbank dat de handhaving van het auteursrecht voorrang moest verlenen aan de vrijheid van wetenschap. De rechtbank wees vervolgens alle ingestelde rechtsvorderingen af, waaronder de verbodsvordering.8
Betekent het voorgaande dat het arrest GeenStijl/Sanoma achterhaald is? Dat is het geval voor zover men uit de uitspraak afleidt dat een beroep kan worden gedaan op een grondrecht om langs een omweg beperkingen op het exclusieve recht te realiseren waarin niet is voorzien in het materiële recht.9 Het staat voor mij echter niet vast dat het arrest ook zo moet worden begrepen. De bewoordingen van de Hoge Raad bevestigen vooral dat de rechter bij het uitvaardigen van een specifieke maatregel een rechtvaardig evenwicht tussen de betrokken grondrechten moet verzekeren. De beoordelingsruimte die hem daarbij toekomt, is afhankelijk van het relevante wettelijke kader en de aard van de betreffende maatregel. Neem bijvoorbeeld het bevel dat kan worden gevorderd tegen een tussenpersoon: het Unierecht en ons nationale recht bevatten geen duidelijke aanwijzingen over de specifieke verplichtingen die onderwerp kunnen zijn van een dergelijk bevel. Tegelijkertijd verlangt het Unierecht wel dat de maatregelen die uitvoering geven aan het bevel in overeenstemming zijn met verschillende richtlijnen en het Handvest. Deze combinatie van een open geformuleerde bepaling en materieelrechtelijke lacunes rechtvaardigt een ruimere uitleg- en toetsingsbevoegdheid voor de rechter.10
Gaat het echter om een ‘reguliere’ inbreukprocedure, dan moet worden aangenomen dat het evenwicht tussen de betrokken grondrechten besloten ligt in het materiële recht.11 Een grondrechtenverweer kan in deze verhoudingen alleen worden gehonoreerd als dat noodzakelijk is om een conforme uitleg te verzekeren of om aantasting van de wezenlijke inhoud van een of meer grondrecht(en) van de inbreukmaker of derden te voorkomen.12 Dat de rechter in deze context meer terughoudendheid moet betrachten is dus niet zozeer gegrond op het verlenen van voorrang aan het grondrecht op (intellectuele) eigendom, maar op het eerbiedigen van het materiële recht.13