De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht
Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.10:3.4.10 Managementteam
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.10
3.4.10 Managementteam
Documentgegevens:
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631787:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb Amsterdam 25 april 2012, JOR 2012/177 m.nt. Olden (Cargill c.s./KPNQwest c.s.). Zie over deze uitspraak ook Knigge en Van der Veen (2013), p. 45-46.
HR 8 december 2006, NJ 2006/659 en JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak KPNQwest1 hebben Cargill en Citibank vorderingen ingesteld tegen Koninklijke KPN, KPN Telecom, Qwest Communications, Qwest, bestuurders, het managementteam en de commissarissen van KPNQwest, nadat zij hen aansprakelijk hadden gesteld op grond van kenbare financiële gevaarzetting. De joint venture KPNQwest is failliet gegaan en dit zou volgens de eisende partijen het gevolg zijn van onrechtmatig handelen door gedaagden bij het aangaan van een lening en het aanspreken van een verkregen kredietfaciliteit.
Door de eisende partijen is gesteld dat ieder van de gedaagden vanuit zijn onderscheiden rol een onrechtmatige daad heeft gepleegd die hem kan worden toegerekend, een en ander in de zin van art. 6:162 BW. Verder hebben zij gesteld dat gedaagden tot een groep behoren. Omdat in elk geval één van gedaagden onrechtmatig schade heeft toegebracht, had de kans op het toebrengen van schade gedaagden behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Deze gedragingen kunnen aan hen worden toegerekend in de zin van art. 6:166 lid 1 BW, aldus de eisende partijen.
De rechtbank overweegt dat slechts onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen dat een functionaris van een vennootschap (bestuurder, feitelijk leidinggevende of commissaris), of een anderszins bij de vennootschap en de door haar gedreven onderneming betrokkene (aandeelhouder, werknemer), persoonlijk jegens derden aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap: “Bij de in dat kader in aanmerking te nemen omstandigheden horen steeds ook de aard en omvang van de aan elk van de genoemde functionarissen toevertrouwde taken en werkzaamheden, de informatie waarover zij in dat kader konden of hadden moeten kunnen beschikken, alsmede de mate waarin zij zowel formeel als feitelijk betrokken zijn geweest bij en invloed hebben kunnen uitoefenen op de besluitvorming en de beleidsbepaling binnen de vennootschap en de door haar gedreven onderneming”.
De rechtbank overweegt vervolgens dat voor de beoordeling van de vraag of de bestuurder, het managementteam, de commissarissen, de aandeelhouders, dan wel de werknemers van KPNQwest persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van KPNQwest, telkens een andere maatstaf geldt.
De zwaarste plicht in dat verband rust volgens de rechtbank op de bestuurder en het managementteam, als feitelijk leidinggevenden, omdat zij primair belast zijn met het besturen van de vennootschap en de door haar gedreven onderneming. Uitgangspunt is dan dat in beginsel eerst de aansprakelijkheid van bestuurder(s) en feitelijk leidinggevenden zal moeten vaststaan, alvorens kan worden toegekomen aan de vraag naar de aansprakelijkheid van anderen, zoals commissarissen.
Nadat de rechtbank de kern van het arrest Ontvanger/Roelofsen2 uiteen heeft gezet, wordt overwogen dat tegen die achtergrond de door Cargill en Citibank gemaakte verwijten aan de bestuurder (tevens lid van het managementteam) en de (andere) drie leden van het managementteam, als feitelijk leidinggevenden, moeten worden beoordeeld. Om aansprakelijkheid aan te kunnen nemen “voor de schulden van KPNQwest uit hoofde van de Facilities Agreement moet komen vast te staan dat hen ter zake hun handelen een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden, omdat zij wisten of behoorden te weten dat de financiële situatie van KPNQwest bij het aangaan van de Facilities Agreement en/of het doen van de Trekkingen daaronder dermate slecht was dat er geen reële overlevingskans meer voor KPNQwest bestond en dat dus redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij niet aan haar verplichtingen uit de Facilities Agreement zou kunnen voldoen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden”. Na een aantal uitvoerige overwegingen concludeert de rechtbank dat de bestuurder en de feitelijk leidinggevenden niet aansprakelijk zijn.
Over de vraag op grond waarvan de leden van het managementteam die geen deel uitmaakten van het formele bestuur, als feitelijk leidinggevenden (quasi-bestuurders) worden aangemerkt, en in termen van aansprakelijkheid gelijkgesteld worden met de formele bestuurder (toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf), bevat het vonnis geen overwegingen. Wel wordt vermeld dat in de statuten van KPNQwest is bepaald dat de raad van bestuur (in casu één formele bestuurder) een managementteam kan vormen, en functionarissen, onder wie een CEO, kan benoemen aan wie bepaalde taken van het formele bestuur worden opgedragen.