Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.8
3.4.8 Grootaandeelhouder
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631770:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem 10 november 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BL8324 (Atlanco Rimec/ Honoré van Schuppen q.q.).
Hof Amsterdam 27 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2015 (Jan van Gent Motorsloepen).
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2861, JOR 2020/140 m.nt. Josephus Jitta (OK functionaris). Het hof overwoog dat het feit dat een door de OK benoemde aandelenbeheerder in nauw contact stond met de door de OK benoemde tijdelijke bestuurder, onvoldoende is om hem als feitelijke bestuurder aan te merken. Als beheerder van aandelen is hij alleen aansprakelijk voor geleden schade als hij niet heeft gedaan wat van een redelijk handelend en redelijk bekwame aandelenbeheerder mocht worden verwacht.
Het hof verwijst naar de parlementaire geschiedenis van art. 2:248 lid 7 BW (Kamerstukken II, 1980-1981, 16 350, nrs. 3-4, p. 18).
Hof Amsterdam 6 februari 2018, JOR 2018/94 m.nt. Josephus Jitta (Xeikon). Perquin-Deelen (2020), nr. 2.5.2 merkt naar aanleiding van deze zaak op: “Merkt een bestuurder of een commissaris dat hij onder druk gezet wordt of beïnvloed wordt door externen en/of internen, dan is het naar mijn mening de eigen verantwoordelijkheid van deze bestuurder of commissaris hier actie op te ondernemen. Verschuilen achter de voorzitter biedt juridisch geen bescherming. Wel realiseer ik mij dat de voorzitter door zijn functieomschrijving en status juist de mogelijkheid heeft concrete aanpassingen door te voeren in de dynamiek. Hij heeft de sleutelfunctie tot een goed functionerende dynamiek in de board.”
Atlanco Rimec Group gevestigd te Dublin, enig aandeelhouder van de in Nederland gevestigde en failliet verklaarde vennootschap Rimec Uitzendbureau BV, werd door Hof Arnhem1 als feitelijke bestuurder aangemerkt. Als relevante omstandigheden voor dit oordeel werden genoemd dat op verzoek van Atlanco alleen diens vertegenwoordigers geautoriseerd waren met betrekking tot de bankrekeningen van Rimec, dat daarvóór al alle betalingen door Atlanco moesten worden goedgekeurd, dat het Atlanco (en niet de formele bestuurder) was die bepaalde met welke klanten Rimec in zee mocht gaan, en ten aanzien van de beëindiging van de activiteiten van Rimec in 2005 en de daartoe te verrichten handelingen geldt dat de formele bestuurder werd geacht slechts de door Atlanco opgestelde instructies uit te voeren. Dat de bestuursfunctie van de formele bestuurder, naast het primaat van Atlanco weinig of geen inhoud had, werd bovendien bevestigd door de accountant van Rimec, die geen persoonlijk contact met de formele bestuurder had. Het hof overweegt verder dat Atlanco in het bijzonder heeft nagelaten om concreet aan te geven op welke wijze de formele bestuurder het beleid van Rimec heeft vormgegeven en welke beslissingen hij in dat verband heeft genomen en/of welke ruimte hij had om zelfstandig beslissingen te kunnen nemen. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat Atlanco als feitelijke beleidsbepaler op de in art. 2:248 leden 1 en 2 BW geregelde wijze verantwoordelijk is voor het niet naleven van de publicatieplicht van art. 2:394 BW en dat zij zich in dat verband niet kan verschuilen achter de formele status van de statutaire bestuurder noch achter diens mogelijke nalatigheid om de reeds goedgekeurde stukken te publiceren.
Hof Amsterdam2 overwoog in een zaak waarin een grootaandeelhouder door de rechtbank was aangemerkt als medebeleidsbepaler en aldus als feitelijke bestuurder in de zin van art. 2:248 lid 7 BW, dat de enkele omstandigheid dat een persoon het beleid van een onderneming mede heeft bepaald nog niet meebrengt dat diegene aansprakelijk is als bestuurder.3 De betrokkene moet zich, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis,4 daadwerkelijk als bestuurder hebben gedragen: er moet enerzijds directe bemoeienis met het bestuur zijn, anderzijds een feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur, wil er sprake zijn van ‘beleidsbepaler als ware hij bestuurder’. Het hof overweegt dat met feitelijke terzijdestelling gelijk kan worden gesteld de situatie waarin de medebeleidsbepaler zijn wil aan het bestuur oplegt en het formele bestuur dat gedoogt. De curator had onder meer aangevoerd dat de aandeelhouder doorslaggevend handelde in een geschil met een bestuurder en dat hij het aanspreekpunt was voor belangrijke zakenrelaties van de vennootschap. De curator heeft naar diverse stukken verwezen waaruit volgens hem volgt dat de aandeelhouder zichzelf ook zag als (mede)beleidsbepaler en zich als zodanig heeft gedragen, en zich ook bezighield met typische aangelegenheden van een bestuurder, zoals het maken van betalingsafspraken met toeleveranciers en het overnemen van een dealerschap. Het hof overweegt dat uit hetgeen door de curator is gesteld weliswaar kan worden afgeleid dat de aandeelhouder als aandeelhouder en grote geldschieter een belangrijke en misschien wel doorslaggevende rol heeft gehad en als zodanig het beleid binnen de vennootschap mede heeft bepaald, maar dat daaruit nog niet zonder meer volgt dat er ook vanuit gegaan kan worden dat de aandeelhouder die machtspositie heeft gebruikt om bestuursmacht aan zich te trekken dan wel de formele bestuurders, voor zover die er waren, zijn wil op te leggen. Daarvoor is meer nodig. Het hof overweegt verder dat gesteld noch gebleken is dat de aandeelhouder de vennootschap met een zekere continuïteit in en buiten rechte vertegenwoordigde, de gebruikelijke contacten onderhield met de bank en zich bezighield met het personeel dan wel dat hij zich anderszins actief bemoeide met de dagelijkse gang van zaken binnen de vennootschap. Het hof vervolgt met de overweging dat het “om de tafel gaan zitten” om in goede harmonie een geschil te voorkomen of op te lossen niet als een typische bestuurdersaangelegenheid dient te worden beschouwd. Deze vorm van betrokkenheid wijst nog niet op feitelijk bestuurderschap, aldus het hof. Het hof oordeelt ten slotte dat de stellingen van de curator te algemeen zijn gebleven en onvoldoende specifiek toegelicht om de curator te kunnen volgen in zijn stelling dat de aandeelhouder zich niet alleen als medebeleidsbepaler heeft gedragen, maar ook als feitelijke bestuurder.
Hier noem ik nog kort een uitspraak inzake een commissaris, tevens bestuurder van een wederpartij. In de tweede fase van de enquêteprocedure inzake Xeikon heeft de OK wanbeleid vastgesteld.5 De zaak is feitelijk gecompliceerd, en die laat ik dan ook voor wat die is. In de uitspraak zijn belangrijke delen uit het onderzoeksverslag opgenomen. Daaruit blijkt, kort gezegd, dat een commissaris van Xeikon, tevens bestuurder van Punch International, deelnam aan beraadslagingen en besluitvorming bij Xeikon inzake grote transacties, en dat hij zijn wil met betrekking tot bepaalde transacties – waarbij hij ook (indirect) eigen belangen had – bij het bestuur van Xeikon heeft doorgedrukt, en dat de bestuurders van Xeikon volgens de onderzoeker meer weerstand tegen diens bemoeiingen hadden moeten bieden, welk oordeel door de OK wordt overgenomen. De betrokken commissaris wordt (naast enkele anderen) verantwoordelijk gehouden voor het geconstateerde wanbeleid. Hoewel die vraag niet aan de orde was, althans dat blijkt niet uit de beschikking, ligt het op grond van de feiten voor de hand aan te nemen dat deze commissaris als quasi-bestuurder zou zijn aangemerkt. Dezelfde conclusie ligt voor de hand als de betrokken persoon geen commissaris, maar (groot)aandeelhouder van Xeikon zou zijn geweest, of zelfs geen enkele functie bij Xeikon zou hebben gehad, maar desondanks wel zijn wil aan het bestuur had weten op te leggen.