Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.5
3.4.5 Algemeen directeur
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631719:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb Den Haag 21 januari 2004, JOR 2004/71 m.nt. Borrius (Mervyn Consultants/De Wijer), bevestigd in Hof Den Haag 22 september 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ8234.
Op grond van art. 36 Invorderingswet 1990 is ieder van de bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, hoofdelijk aansprakelijk voor hetgeen dat lichaam is verschuldigd inzake de loonbelasting, de omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak, de in art. 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen en de kansspelbelasting. In lid 5 van genoemd artikel is bepaald dat onder een bestuurder mede wordt verstaan degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder. De quasi-bestuurder van een rechtspersoon die is onderworpen aan de vennootschapsbelasting is derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden van die rechtspersoon. Zie ook Van Nuland (2021), nr. 4.2.4.1. Terzijde wordt er op gewezen dat in het geval het gaat om een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is (zie art. 33 lid 1 onder a Invorderingswet), de feitelijke bestuurder niet als bestuurder in de zin van deze bepaling wordt aangemerkt. Zie r.o. 2.3 van HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1112 (Schoen- en computerhandel).
In de vrijwaringszaak Mervyn1 – aangespannen door de statutaire bestuurder van OrgaInfo B.V. – ging het om de vraag of een zekere De Wijer als medebeleidsbepaler in de zin van art. 36 lid 5 sub b Invorderingswet 1990 kon worden aangemerkt.2 Als medebeleidsbepaler in de zin van die bepaling kan een persoon worden aangemerkt die (bijvoorbeeld) een machtspositie binnen de vennootschap heeft bekleed. Van een dergelijke machtspositie was volgens de rechtbank sprake: zo hij het beleid al niet zelfstandig bepaalde zonder daarover verantwoording af te leggen, kan uit de feiten in elk geval de conclusie worden getrokken dat hij het beleid mede heeft bepaald. Overwogen wordt dat De Wijer – als algemeen directeur – bestuurswerkzaamheden heeft verricht, hetgeen zowel naar de medewerkers als naar de aandeelhouders zichtbaar was. Hij trad op als voorzitter van het managementteam, stuurde de financiële afdeling aan, nam eindbeslissingen bij alle strategische en operationele issues, bemoeide zich met het personeelsbeleid, heeft de betalingsonmacht aan de Ontvanger gemeld en daarover de verdere correspondentie gevoerd. De rechtbank heeft verder overwogen dat ook het mede bepalen van het beleid aansprakelijkheid op grond van genoemd artikel meebrengt, en dat dit er op duidt dat het beleid ook naast – en dus niet noodzakelijkerwijs met terzijdeschuiving van – de formele bestuurders kan worden gevoerd.