De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/2.3.2:2.3.2 Beperkingen van positieve vrijheid
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/2.3.2
2.3.2 Beperkingen van positieve vrijheid
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390984:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 353.
Cohen 1995, p. 34-37, zie ook Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 280.
Cohen 1995, p. 57 en 58.
Cohen 1995, p. 54 en 55.
Zimmerman 1981, o.a. p. 124 en 132-134. Zie ook Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 252.
Zimmerman 1981, p. 144 en 145.
Van Kempen & Lestrade 2018, § 2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Egalisten, onder wie Cohen, vinden (anders dan liberalen) dat vrijheid samengaat met vermogen en onvrijheid met onvermogen. Zij menen dat elk obstakel bij het uitvoeren van een actie een beperking vormt van de vrijheid om die actie te verrichten, niet alleen bemoeienis door anderen, maar ook een gebrek aan middelen zoals kennis, persoonlijke capaciteiten en economische en sociale bronnen.1 Wellicht is iedereen ‘in rechte’ vrij al dan niet voor iemand te gaan werken, maar in de praktijk kan het er toch op neerkomen dat iemand gedwongen is voor een bepaalde werkgever aan de slag te gaan. De natuurlijk bestaande rechten hoeven niet te corresponderen met de daadwerkelijk heersende krachten.2 Cohen vindt dat niet kan worden beweerd dat iemand die gaat werken voor een ander omdat hij anders sterft ‘vrij’ is. Een tekort aan geld kan een gebrek aan vrijheid behelzen. Het tekort kan er namelijk voor zorgen dat iemand bepaalde handelingen niet kan verrichten.3 Als een socialistische maatschappij kapitalistische handelingen verbiedt tussen mensen, zullen sommigen vrijer zijn dan ze anders zouden zijn, juist vanwege de beperking van iedereen en dus ook hun eigen vrijheid.4 Zimmerman is eenzelfde opvatting toegedaan. Hij is van oordeel dat het aanbieden van een slecht betaalde baan aan een werkloos persoon gezien kan worden als een ‘dwingend voorstel’. Zimmermans stelling omtrent loonaanbiedingen is gebaseerd op een niet-morele definitie van dwang (anders dan Nozick), waarbij de bevoorrechting van de ontvanger van het aanbod een rol speelt. Wie komt de meerwaarde die wordt verkregen uit arbeid toe: de arbeider of de werkgever?5 Een loonaanbod kan volgens Zimmerman dwingend zijn als 1) werknemers een alternatief voorstel sterk zouden prefereren boven het daadwerkelijke loonaanbod, en het alternatieve voorstel op het moment dat het loonaanbod wordt gemaakt technisch en economisch haalbaar is en 2) kapitalisten voorkomen dat werknemers tenminste gebruik kunnen maken van één van deze haalbare alternatieven.6 De vraag is of iemand die een dergelijk ‘dwingend’ voorstel doet, daadwerkelijk de positieve vrijheid van een ander inperkt. Het aanbod behelst geen inbreuk op de autonomie van een ander. Het maakt de mate van zelfbepaling of zelfontplooiing van een ander niet per definitie kleiner. De aanbieder maakt gebruik van de gelimiteerde positieve vrijheid die er is. Hij verhindert mogelijk dat de positieve vrijheid groter wordt of tot zijn recht komt. Maar dat is niet hetzelfde als een beperking van de positieve vrijheid.7
Beperkingen van positieve vrijheid zijn begrenzingen van het vermogen van mensen een bepaalde actie al dan niet te verrichten. Dat kan door bemoeienis van anderen, maar ook door een gebrek aan middelen zoals kennis, persoonlijke capaciteiten en economische en sociale bronnen. Het aanbieden van onderbetaalde arbeid aan een werkloze vermindert diens positieve vrijheid niet meer dan de positieve vrijheid al is begrensd, maar voorkomt mogelijk dat de positieve vrijheid toeneemt of zich verder gunstig ontwikkelt. Vanuit egalistisch oogpunt kan dit eveneens als bezwaarlijk worden gezien.