Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/2.3.1
2.3.1 Beperkingen van negatieve vrijheid
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383760:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Berlin 1969, p. 123, zie ook Blokland 1995, p. 49.
Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 251. Zie ook Cliteur in Cliteur & Loth 1992, p. 188-190.
Hayek 1960, p. 117 en 118 en Kotterman-van de Vosse 1994, p. 295 en 296.
Hayek 1960, p. 119, Kotterman-van de Vosse 1994, p. 297.
Hayek 1960, p. 120, Kotterman-van de Vosse 1994, p. 297.
Hayek 1960, p. 121.
Hayek 1960, p. 121.
Nozick 1974, p. 262, zie ook Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 276.
Nozick 1974, p. 263.
Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 353. Zie ook Driessen 1990, o.a. p. 39-42.
Helemaal zeker is dat bij Berlin echter niet, aangezien hij óók betoogt: ‘The criterion of oppression is the part that I believe to be played by other human beings, directly or indirectly, with or without the intention of doing so, in frustrating my wishes. By being free in this sense I mean not being interfered with by others. The wider the area of noninterference the wider my freedom.’ Zie Berlin 1969, p. 123.
Lindenberg 2007, p. 35 en 80.
Bayles 1972, p. 23. Directe en indirecte dwang betreffen een vrije vertaling van de beide begrippen. Bayles duidt de categorieën aan met ‘occurent’ en ‘dispositional’ coercion.
Bayles 1972, p. 23-24.
Gorr 1989, p. 54-57.
Nozick 1972, p. 112, zie ook Carter, Kramer & Steiner 2007, p. 252.
Nozick 1972, p. 128.
Feinberg 1986, p. 219.
Gorr 1986, p. 393.
Berlin betoogt dat de individuele vrijheid door andere mensen doelbewust kan worden ingeperkt door middel van dwang. Hij meent dat het concept dwang afhangt van de gehanteerde sociaaleconomische theorie over oorzaken van armoede of zwakte.1 Als iemand te arm is om een brood te kopen en die armoede wordt veroorzaakt door een economisch systeem dat andere mensen hebben ontwikkeld, kan het niet in staat zijn een brood te kopen worden beschouwd als een inperking van vrijheid. De politiek denker Hayek ziet vrijheid eveneens als de afwezigheid van dwang. Volgens Hayek vereist het nastreven van vrijheid de minimalisatie van dwang en het versterken van regels omtrent het persoonlijk eigendom en vrijwillige verbintenissen.2 Met dwang doelt Hayek op een zodanige beheersing van de omgeving of van omstandigheden door een ander persoon dat, om een groter kwaad te vermijden, de eerste persoon niet kan handelen overeenkomstig zijn eigen plannen, maar slechts volgens die van een ander. Niet elke handeling waardoor het gedrag van een ander wordt beïnvloed, valt onder dwang. Iemand de weg versperren, waardoor hij een stap opzij moet doen, iemand van een plek verdrijven door het veroorzaken van geluiden of zelfs dreigen iets te doen waarvan bekend is dat het de ander schade berokkent, is volgens Hayek niet zonder meer te kwalificeren als dwang in strikte zin. Die acht hij pas aanwezig als de dreiging schade aan te richten gepaard gaat met de bedoeling dat de ander daar met bepaald gedrag op zal reageren. Ook al kan de bedreigde nog steeds kiezen, hij bevindt zich in een positie waarin de alternatieven voor hem worden bepaald door de manipulator. Hij is dus niet volledig beroofd van zijn geestelijke vermogens, maar wel van de praktische mogelijkheid om zijn kennis voor eigen doeleinden aan te wenden.3 Dwang dient onderscheiden te worden van de voorwaarden waaronder medemensen bereid zijn speciale diensten of hulp te verlenen. In een vrije samenleving vinden wederzijdse diensten in principe plaats op basis van vrijwilligheid. Iedereen kan zelf bepalen met wie hij zaken wil doen en onder welke voorwaarden. Zolang de diensten van een bepaalde persoon niet cruciaal voor andermans bestaan zijn en zij niet datgene behelzen waar de ander het meeste aan hecht, kunnen de condities waaronder iemand bepaalde diensten wil leveren niet worden aangeduid als dwang.4 Anders wordt het wanneer het gaat om schaarse goederen van vitaal belang. Als een monopolist zich in een positie bevindt waarin hij een onmisbare voorraad bezit, kan hij dwang uitoefenen. Zolang dat niet het geval is, is dwang niet aanwezig, hoe onplezierig zijn eisen voor de personen die zich verlaten op zijn diensten ook zijn.5 Hayek licht zijn stelling nader toe. Zelfs als de dreiging van sterfte iemand noopt tot het accepteren van een onaangename baan tegen een laag loon, zelfs als iemand is overgeleverd aan de genade van een ander die bereid is de persoon in dienst te nemen, wordt diegene niet per definitie gedwongen door de ander. Zolang de handeling die de persoon in een hachelijke situatie heeft gebracht niet het doel heeft om hem te brengen tot het doen of laten van bepaalde dingen, zolang het doel van de pijnlijke handeling er niet op is gericht om het doel van een ander te dienen, is het effect op diens vrijheid niet anders dan dat het zou zijn bij een natuurlijke calamiteit (een vuur dat andermans huis vernietigt of een ongeluk dat diens gezondheid schaadt).6
Hayek betoogt dat in zekere mate alle nauwe banden tussen mensen, of het nu gaat om affectie, economische behoefte, fysieke omstandigheden (zoals op een schip of een expeditie), mogelijkheden tot het uitoefenen van dwang verschaffen.7 Zodra gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een ander het eigen doel te laten dienen, is dwang aan de orde. Hayek bevindt zich wat dat betreft op één lijn met Robert Nozick. Natuurlijke belemmeringen of rechtvaardige handelingen brengen volgens Nozick geen inperking van de vrijheid met zich. De vraag of iemand acties vrijwillig verricht hangt af van datgene wat zijn alternatieven beperkt. Als natuurlijke feiten voor beperkingen zorgen, dan zijn de acties vrijwillig (iemand kan vrijwillig ergens heen lopen, hoewel hij er de voorkeur aan geeft er zonder hulp heen te vliegen). Acties van anderen zorgen voor beperkingen van de beschikbare mogelijkheden van iemand. Of dit resulteert in een niet-vrijwillige actie, is ervan afhankelijk of deze andere mensen het recht hadden te handelen zoals zij hebben gedaan.8 Dit geldt ook voor de marktwerking tussen werkenden en kapitaaleigenaren. Als iemand moet kiezen tussen werken of sterven omdat de keuzes en acties van anderen hem geen andere optie laten, kan hij desondanks vrijwillig kiezen als de anderen ook vrijwillig en binnen hun rechten hebben gehandeld.9
De liberalen Nozick en Hayek ontkennen dat de mate waarin iemand vrij is wordt beïnvloed door hoe goed diegene af is in economisch opzicht. Vrijheid bestaat volgens deze auteurs uit de afwezigheid van actieve bemoeienis door anderen, niet in het vermogen om het eigen doel te bereiken. Vanuit dit punt beargumenteren zij dat de meest vrije maatschappij er één is waarbij de overheid zo min mogelijk interfereert in de vrije uitoefening door burgers van hun eigen voorrechten. In een dergelijke maatschappij zou de staat alleen de acties van burgers mogen beperken die de rechten van anderen aantast (ter voorkoming en bestraffing). Rijken en armen genieten dezelfde vrijheid binnen een dergelijke maatschappij. Ook al zullen de armen minder goed in staat zijn bepaalde dingen te doen, zij zijn niet minder vrij dan de rijken deze dingen te doen.10
Bij het negatieve vrijheidsconcept kan vrijheid alleen worden ingeperkt door dwang. Uit de analyse van Berlin, Hayek en Nozick blijkt dat zij uitgaan van een definitie van dwang waarbij de dwinger de intentie moet hebben om te dwingen.11 Lindenberg nuanceert dit uitgangspunt en betoogt dat bewustzijn bij de dwinger niet noodzakelijk is om te spreken van dwang. Hij maakt een onderscheid tussen het taalkundige begrip dwingen waarbij sprake kan zijn van onbewustheid en het strafrechtelijke begrip dwingen, waarbij het opzet van de dwinger bewezen dient te worden.12 Het verschil wordt duidelijk in een situatie waarin persoon A weet dat persoon B zich in een ruimte bevindt, en deze ruimte afsluit en de situatie waarin persoon A niet weet dat persoon B zich in een ruimte bevindt en deze ruimte afsluit. Bij de definitie van Lindenberg is in beide gevallen sprake van het dwingen door persoon A van persoon B zich in de afgesloten ruimte op te houden. Bij de definitie van Hayek en Nozick is alleen in het eerste geval dwang aan de orde, aangezien enkel daar doelbewust is gehandeld. Mij komt het door Lindenberg gehanteerde taalkundige en strafrechtelijke onderscheid van het begrip dwang onnatuurlijk over. Weliswaar heeft persoon A persoon B in beide situaties opgesloten, maar dat is iets anders dan het tweede geval te omschrijven als dwang door persoon A. Het lijkt mij dat de twee omstandigheden tevens taalkundig gezien verschillend moeten worden omschreven. Ook buiten het strafrechtelijk kader duidt dwang op intentioneel handelen van de dwinger.
Dwang kan vervolgens worden onderverdeeld in verschillende soorten dwang. Bayles onderscheidt de directe en indirecte dwang.13 Directe dwang betreft de onmiddellijke toepassing van fysieke kracht tegen een bepaald persoon om hem tot bepaald handelen aan te zetten. Van indirecte dwang is sprake indien X Y dwingt tot het doen van A onder de volgende voorwaarden:
X wil dat Y A doet;
X is van plan om Y schade te berokkenen als hij A niet doet;
X dreigt Y schade te berokkenen als hij A niet doet;
Y doet A;
Y zou anders hebben gehandeld als hij het voor het kiezen had gehad;
Y zou anders hebben gekozen als hij niet was bedreigd.
Conditie 1 onderscheidt dwang van kracht, beperkingen en zuivere bedreigingen. Omstandigheid 2 onderscheidt het van omkoperij, waarschuwingen, adviezen en andere vormen van machtsuitoefening. De voorwaarden 4 en 6 gaan over het succes van de bedreiging en in welke zin Y’s gedrag onvrijwillig is en minder verwijtbaar. Conditie 5 toont dat Y’s gedrag op enig punt vrijwillig is en dus een actie. Voorwaarde 3 verplaatst het gedrag van X van de sfeer van intentie naar die van openlijke actie.14 De indirecte dwang kan worden aangemerkt als bedreiging.
De begrenzing die Bayles maakt door het opnemen van conditie 2, is ook terug te zien in de onderverdeling van Gorr. De bedreiging onderscheidt hij uitdrukkelijk van het beïnvloeden van anderen door autoriteit en verzoeken. Autoriteit is het uitoefenen van macht door commando’s. Met commando’s doelt Gorr alleen op de ‘pure’ commando’s die geen bedreigingen behelzen. Ook het doen van een verzoek ziet Gorr als het uitoefenen van macht. Dwang schaart Gorr onder de categorie ‘overtuiging’. Het essentiële verschil tussen de categorie ‘overtuiging’ en de categorieën ‘autoriteit’ en ‘verzoeken’ is dat overtuiging gepaard gaat met redenen of argumenten voor het gedragen naar de gewenste manier in plaats van slechts de uiting van commando’s en verzoeken. Deze categorie kan worden gesplitst in theoretische en praktische overtuiging. Invloed door middel van theoretische voorstellen kan door het stellen van proposities die geen effect hebben op wat de spreker wil of niet wil doen als het subject wel of niet handelt zoals gewenst. Waarschuwingen en tips kunnen hieronder worden geschaard. Iemand kan worden gewaarschuwd door te vertellen over onwenselijke consequenties van bepaald gedrag of iemand getipt over wenselijke gevolgen van bepaalde acties. Een voorstel is praktisch als het een propositie behelst waarbij de spreker iets wil (of niet wil) doen. Indirecte dwang bestaat uit de bepaling van gedrag dat overeenstemt met, en een resultaat is van voorwaardelijke bedreigingen.15
De indirecte dwang kan eveneens worden afgebakend van een aanbod of voorstel. Volgens Nozick heeft het verschil tussen een aanbod en een dreiging om een bepaalde handeling te verrichten te maken met de consequenties van het verrichten van de betreffende handeling in vergelijking tot de normale of natuurlijk te verwachten gang van zaken. Als de gevolgen van de handeling slechter zijn dan ze zouden zijn in de normaal te verwachten gang van zaken is het een bedreiging, als de gevolgen beter zijn, kan het gezien worden als een aanbod. De term ‘te verwachten’ hangt af van wat wij moreel gezien normaal vinden en verwachten.16 Als iemand iets doet vanwege een bedreiging, dan is de wil van een ander dominant. Indien iemand iets doet vanwege een voorstel, dan domineert de wil van een ander niet. De wil van de bedreigde is het subject van een ander, hij doet iets niet geheel vrijwillig.17 Ook Feinberg onderscheidt de twee begrippen aan de hand van het ‘normaal te verwachten gedrag’. Volgens hem zijn bedreigingen voorgestelde consequenties die niet welkom zijn in vergelijking tot de consequenties die ‘anders’ geresulteerd zouden zijn in de ‘normale gang van zaken’. Voorstellen zijn voorgestelde consequenties die welkom zijn gelet op de ‘normale gang van zaken’. Wel erkent Feinberg dat verwarring over de begrippen kan ontstaan doordat ‘de normale gang van zaken’ verschillend kan worden geïnterpreteerd.18 Op eenzelfde wijze als Feinberg onderscheidt Gorr de begrippen van elkaar. Waar een aanbod meer mogelijkheden met zich brengt die de huidige stand van zaken op een gewenste manier veranderen, brengt een bedreiging juist een ongewenste consequentie mee van een bepaalde handeling, terwijl het handelen voorheen zonder angst of consequenties was.19
Behalve directe en indirecte dwang kan de negatieve vrijheid voorts worden begrensd door misleiding. Iemand schetst dan bij een ander opzettelijk een verkeerde voorstelling waardoor die ander een bepaalde handeling verricht, die hij bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben verricht. Bij misleiding handelt de vrijheidsbeperker bewust. Het slachtoffer is zich echter niet bewust van de vrijheidsbeperking. Er kan daarom niet gesproken worden van dwang. In principe voelt het slachtoffer geen druk om iets te doen (of niet te doen). Het slachtoffer heeft de mogelijkheid anders te handelen, maar weet niet van die mogelijkheid. Daardoor wordt de facto zijn vrijheid ingeperkt. Doordat het slachtoffer op een verkeerd spoor wordt gezet, handelt hij naar de wil van de misleider. De geldigheid van de instemming van het slachtoffer met de handeling wordt geschaad doordat het slachtoffer niet op de hoogte is van de voorwaarden waaronder hij die handeling verricht.
Concluderend is bij het negatieve vrijheidsconcept sprake van vrijheidsbeperking als dwang of misleiding aanwezig is. Dwang kan direct worden uitgeoefend door middel van fysieke kracht. Dwang kan ook indirect worden uitgeoefend door te dreigen met een bepaalde voorwaarde. Deze voorwaarde kan zowel psychische als fysieke schade behelzen. De ‘schade’ brengt een ongewenste consequentie mee van een bepaalde handeling, terwijl het handelen voorheen zonder angst of consequenties was. Dit laatste onderscheidt de bedreiging ook van een aanbod. Een aanbod brengt een wenselijke consequentie met zich en kan (negatieve) vrijheid niet beperken. Dwang veronderstelt bewustzijn bij de dwinger én de gedwongene. Omdat de gedwongene dwang voelt, handelt hij naar de wil van de dwinger. Iemand die zich niet van de dwang bewust is, kan niet worden gedwongen. Van misleiding is sprake als opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken wordt opgewekt bij een persoon waardoor hij een bepaalde gedraging verricht. Misleiding veronderstelt aldus enkel bewustzijn bij de misleider.
De dwang en de misleiding zorgen ervoor dat een eventuele instemming van het slachtoffer met de te verrichten gedraging niet geldig is. Door de dwang kan het slachtoffer niet anders dan instemmen en door de misleiding weet het slachtoffer niet waarmee hij instemt.