Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.4.3
2.4.3 Stemming over akkoord
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS444853:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, NIBE-Bank-juridische reeks, nr. 36, p. 130. De regeling in faillissement is een andere, zie art. 143 Fw. Indien schuldeisers met een recht van voorrang willen meestemmen over een akkoord, dienen zij voor de stemming afstand te doen van hun recht van voorrang. Door de afstand worden zij concurrente schuldeisers, hierdoor zijn zij stemgerechtigden geworden en dientengevolge is het gehomologeerde akkoord ook voor hen bindend.
In gelijke zin Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, NIBE-Bankjuridische reeks, 1998, p. 130.
Wessels 2008, (T&C Fw), art. 332 Fw, aant. 6.
Art. 332 lid 3 Fw is bij de herziening van de schuldsaneringsregeling verbeterd in deze zin dat de vorderingen moeten zijn erkend en voorwaardelijk zijn toegelaten en niet de schuldeisers. Kamerstukken II 2004/05, 29 942.
Wet van 24 november 2004, Stb. 2004, 615 in werking getreden op 15 januari 2005, Stb. 2005, 10.
Een akkoord in faillissement is slechts bindend voor de concurrente schuldeisers. Dit wordt onder meer tot uitdrukking gebracht in art. 157 Fw. Dientengevolge kunnen slechts concurrente schuldeisers hun stem uitbrengen over een akkoord. In de schuldsaneringsregeling is daarentegen bepaald dat ook preferente schuldeisers aan een akkoord zijn gebonden.1
Art. 332 lid 2 Fw luidt als volgt:
"Tot stemming over het akkoordvoorstel zijn bevoegd de schuldeisers van vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt. Pandhouders, hypotheekhouders en schuldeisers als bedoeld in artikel 299b zijn tot stemmen bevoegd, indien zij voor de aanvang van de stemming van hun recht van parate executie afstand doen."
Op grond van art. 332 Fw jo. art. 299 Fw zijn concurrente- en preferente schuldeisers bevoegd over een akkoord te stemmen. Net zoals bij faillissement en surseance dienen de ingediende vorderingen wel erkend te zijn of voorwaardelijk te zijn toegelaten. Zoals uit de bewoordingen van art. 332 Fw blijkt, zijn separatisten niet stemgerechtigd, tenzij zij voor de stemming afstand doen van hun recht van parate executie. Ingevolge art. 332 lid 2 Fw behouden de separatisten derhalve hun recht van voorrang. Nu een akkoord in faillissement niet verbindend is voor preferente schuldeisers, is de bepaling van art. 332 lid 2 Fw van een andere orde dan art. 143 Fw.2 Een separatist die op de voet van art. 332 lid 2 Fw afstand doet van zijn recht van parate executie, wordt daardoor derhalve geen concurrent schuldeiser. Niettemin is een gehomologeerd akkoord ingevolge art. 340 lid 2 Fw wel voor hem verbindend.3
De stemming over een akkoord vindt plaats in twee groepen. De concurrente schuldeisers en de preferente schuldeisers stemmen ieder in een afzonderlijke groep. Binnen de twee groepen wordt geen nader onderscheid gemaakt. Er wordt alleen rekening gehouden met de omvang van de vorderingen, dus niet meer met de verschillende preferenties. De vraag die in dit verband kan worden gesteld is, of schuldeisers met een feitelijke preferentie gelijk kunnen worden gesteld met preferente schuldeisers. Op grond van art. 3:287 lid 2 BW kunnen voorrechten alleen voortvloeien uit de wet. Van een feitelijke preferentie kan echter niet worden gezegd dat deze onder art. 3:287 lid 2 BW valt. Daarnaast kan niet uit het systeem van de wet worden opgemaakt, dat de wetgever onder schuldeisers met een recht van voorrang ook schuldeisers met een feitelijke preferentie heeft begrepen.4 Evenmin kan uit art. 332 Fw worden opgemaakt dat, onder schuldeisers van vorderingen waaraan voorrang is verbonden mede een schuldeiser met een feitelijke preferentie is begrepen. Schuldeisers met een feitelijke preferentie zijn ondanks hun feitelijke preferentie, concurrente schuldeisers en stemmen derhalve in die groep mee. Wessels ziet dit evenwel anders:
"Uit art. 3:287 lid 2 BW vloeit voort dat voorrechten alleen uit de wet ontstaan. Schuldeisers die wel worden aangeduid als feitelijk preferente schuldeisers, maar die geen voorrecht aan de wet kunnen ontlenen zijn geen 'bevoorrechte schuldeisers' ex art. 3:287, maar voor de toepassing van art. 332 wel 'schuldeisers van vorderingen waaraan een voorrang is verbonden'."5
Voor het aannemen van het akkoord is ingevolge art. 332 lid 3 Fw vereist6:
"a. de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers van vorderingen waaraan voorrang is verbonden, welke tezamen ten minste de helft van het totale bedrag van hun vorderingen vertegenwoordigen; en
b. de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, welke tezamen ten minste de helft van het totale bedrag van hun vorderingen vertegenwoordigen."
Voor het aannemen van het akkoord is slechts een gewone meerderheid van schuldeisers vereist, die ten minste de helft vertegenwoordigt van het totale bedrag aan vorderingen. Zowel de meerderheid van schuldeisers als de helft van het totale bedrag aan vorderingen wordt niet gerelateerd aan alle schuldeisers, maar aan de schuldeisers die op de vergadering aanwezig zijn en het totaal aan vorderingen die zij samen vertegenwoordigen. De artt. 145 en 268 Fw zijn sinds 15 januari 20057 aangepast aan art. 332 lid 3 Fw.